Winterwind in het Midden Oosten

Standaard

Er waait duidelijk een nieuwe wind door het Midden Oosten: niet alleen de spontane revolutiegolf van de Arabische lente, maar ook de resolute claim op erkenning van een eigen staat door de Palestijnse leider via de achterdeur van Unesco, doorbreken de strategie van eindeloos onderhandelen. Die nieuwe wind verdrijft de oude geur van wederzijds slachtofferisme: holocaust, asielzoekers, naar kampen verjaagde Palestijnen – ineens zijn het sterke mensen die hun lot in eigen hand nemen. Israël heeft naast de holocaustslachtofferrol, moreel en financieel gesteund door het westen, herhaaldelijk al het wapen van preventieve aanval ingezet, terwijl de door rijke oliestaten vanwege de goed scorende slachtofferstatus bewust arm en zielig gehouden Palestijnen soms op individuele basis hun weg in zelfmoordcommando’s vonden. Slachtofferschap is echter uit: het westen raakt overtuigd dat alleen maar opvang en verzorging van vervolgden, onderdrukten en verdrevenen op den duur contraproductief is omdat het opstand tegen  onderdrukkende leiders in de weg staat.

In dit nieuwe ‘doe-voor-doem’-scenario melden zich in het kielzog van de Arabische lente nieuwe spelers die oude kwesties vanuit die nieuwe visie bezien en ongetwijfeld zal Israël daarin testcase zijn, wat de rest van de wereld en zeker Europa niet onberoerd zal laten. Ooit werd zij door een Griekse god uit het midden oosten geschaakt, nu moet zij toezien hoe die regio zelf schaakbord is geworden; haar afgewezen minnaar Turkije steunt openlijk de radicale Palestijnen (die niets moeten hebben van de Westbankleider en zijn voorstellen: voor hen is Israël Palestina), koopt stukje bij beetje failliet Griekenland op en boort naar gas voor de Cypriotische kust. Zijn liefde voor Europa is duidelijk ingeruild voor het aantrekkelijker perspectief van reanimatie van het oude Ottomaanse rijk. Terwijl Europa nog twist over sanering van Griekenland, leent Turkije’s klassieke vijand Rusland tegen 4% geld aan  Cyprus: welk spel speelt deze leider die zijn presidentschap voor twaalf jaar veilig heeft gesteld en het financieel genie van zijn regering heeft weggekocht? Zijn troef is geld en gas, maar de moslimtroef zit in handen van de Turkse premier die al even vast in het zadel zit voor de komende periode en die niet voor niets ook naar gas op zoek is. Andere spelers stoken vuurtjes op door ontkenning van genocide strafbaar te stellen; er wordt op minstens vier borden tegelijk geschaakt en gaandeweg worden stukken verzet en pionnen geofferd (Koerden, Kopten, Armeniërs, Grieken); Israël ziet de bui hangen en bouwt nieuwe muren.

Het is onverstandig de spelers te onderschatten, ongeacht welk spel gespeeld wordt op welk speelveld ook, midden oosten of zuidoost Europa: er zijn meer oude rekeningen te vereffenen in die regio. Welke steun kan de Palestijnse leider in eigen kring verwachten? Voor welk geld of gas gaat Europa door de knieën en is het niet cynisch dat ook Israël aan het Russische of Turkse gas zal moeten nu het nieuwe Egypte constant de leidingen onklaar maakt? Zal Israël überhaupt nog kunnen kiezen? Gaat de moslim-lentewereld aan het Turkse wintergas of wordt het Iraanse kernenergie? Moet het, tenslotte, uiteindelijk Rusland zijn dat Griekenland, Europa en Israël gaat redden? En tot welke prijs? Gas of geen gas: Europa zal het koud krijgen deze winter, als ze zelf geen tegengas biedt in dit spel dat om haar heen wordt uitgevochten – van spelen is allang geen sprake meer.

 

Advertenties

liever indignado dan occupy

Standaard

Viaje_klein

Wie niets te verliezen heeft, is filosofisch en economisch gezien de ultiem vrije mens die zich onbelemmerd kan uiten, desnoods in een schreeuw zoals ooit door Munch zo expressief geschilderd. Met voldoende lotgenoten wordt die schreeuw een beweging met één gezamenlijk doel. De tot zelfmoord gedreven radeloze Tunesische fruitverkoper startte zo een jaar geleden de Arabische lente waarmee Egypte, Tunesië en Libië versneld in een nieuw stadium belandden, terwijl naburige regimes dit lot nog trachten te bezweren. Of die in gang gezette stroom leidt tot de gewenste inbedding moet worden afgewacht, maar de boodschap aan dictators en onderdrukten is duidelijk. Terecht dan ook dat de radeloze fruitverkoper als prototype van ‘de demonstrant’ tot persoon van het jaar werd gekozen door Time Magazine.

Wie wél iets te verliezen heeft, zoals in de westerse welvaartwereld, strijdt liever binnen wettelijk toegestane betogingen. Deze zomer gebeurde dat onder de leus indignado: verontwaardigd. Wie vroeg waar die verontwaardiging  op sloeg, kreeg verschillende antwoorden: banken, bonussen, consumptiemaatschappij, soms ook gelijkheid of klimaat. Een algemeen, ondefinieerbaar onbehagen lijkt zich over onze wereld te hebben gespreid nu door de economische crisis zekerheden en verworven rechten ter discussie komen te staan. Ooit ruilden we oude verbanden als familie, kerk en partij in voor door de overheid geregeld algemeen welzijn, maar nu blijken we sneller dan verwacht op minimumniveau van uitkering en bijstand te kunnen belanden. De rest moeten we zelf uitzoeken: we zijn vrij om onszelf te zijn maar onzeker wat dat inhoudt. 

Als reactie idealiseren we de saamhorigheid van de jaren zestig: hippies, provo, krakers, studentenopstand – we hadden er bij willen zijn. In een tent tussen lotgenoten kregen we dat gevoel even terug: romantisch, en zeker niet bedreigend voor de gevestigde orde: zelfs in eigen gelederen stelden we ordediensten en officiële woordvoerders aan. De beweging mag dan op het oog stagneren bij het invallen van de winter, het onbehagen blijft en zoekt duidelijk een gemeenschappelijke noemer.

Niemand is zich bewust dat juist die (geïdealiseerde) saamhorigheid zelf ter discussie staat: we weten onze verworven vrijheid geen vorm te geven in een wereld die de term individualisering vooral negatief vertaalt (ieder voor zich en God voor ons allen) zodat we ons schuldbewust extra betrokken tonen: liefdadigheid en groen scoren hoog. Maar het onbehagen blijft zeuren – we willen zelf iets doen, iets betekenen. De overheid nam dan wel verantwoordelijkheden over, maar bleef het individu miskennen door ons tot categorie te maken: patiënt, consument, werknemer, werkgever, werkloze, AOW-er en kiezer (als de tijd daar is). Intussen valt er echter als patiënt of consument meer te kiezen dan als individuele burger: ziekenhuizen worden tenminste nog geselecteerd op succes, de commercie biedt ‘koning’ klant ruime keus en niet goed, geld terug, maar bij het landsbestuur moeten we maar afwachten hoe het uitvalt en verhaal is er niet. Alleen als zwevende kiezer kunnen we nog enige macht uitoefenen maar het lost de individuele miskenning niet op. Waar moeten we als burger heen met kritiek of ideeën? – ‘namens wie spreekt u?’ zegt de overheid; ‘zet maar op Internet’, zegt de rest. De sociale media scheppen nieuwe verbanden, ad hoc, zoals ook de Arabische opstand haar achterban rekruteerde, maar van effect op het beleid is in de strak georganiseerde westerse overheid geen sprake. Zij is niet te beroerd om af en toe mee te twitteren, maar trekt zich er verder weinig van aan. Ze hoeft ook niet, zolang het alleen om vaag onbehagen gaat: in feite bestaat dat niet.

Ook de golf die volgde op ‘het onbehagen van de vrouw’ (artikel Joke Smit 1967) is nog steeds niet echt in haar boezem neergedaald, gezien haar recente oproep aan ‘ouders’ om minder te gaan werken en beter op hun kinderen te letten. Onder druk van actiegroepen werden man en vrouw destijds wel voor de wet gelijkgesteld maar de onderliggende structuur bleef onbenoemd en daardoor buiten de concrete eisen zodat, ondanks de neutrale benaming ‘ouders’, de oproep duidelijk op moeders slaat die in de praktijk makkelijker werktijd kunnen inleveren met hun los-vaste baantjes vanwege het nog steeds gebrekkige school- en opvangbeleid. Pas als de school haar educatieve taak serieus neemt, kan gelijkstelling eindelijk definitief worden: elders in de wereld dekt het woord education naast opvoeding ook onderwijs, dus inclusief kinderopvang en school. Dit om aan te geven dat de overheid vaag onbehagen niet oplost; zij wil concrete eisen.

 

De indignado’s lopen met hun te grote, te vage wereldproblemen eenzelfde risico terwijl juist zij zouden kunnen bijdragen aan de afronding van dat in gang gezette proces van emancipatie (‘ontvoogding’) dat tot breder, individueel onbehagen is uitgegroeid. Net zoals destijds de vrouw onmondig was, voelt nu elke bewust levende en kiezende burger zich monddood in overheidsbesluiten en zoekt naar meer en grotere betrokkenheid dan af en toe een inspraakronde of opiniepeiling: zie de inmiddels legendarische Mauro. De overheid denkt in categorieën (al die andere Mauros!) terwijl de burger het individu voorop stelt. Waarom zouden individuele burgers, zoals het pleeggezin, zich niet garant mogen stellen voor een asielzoeker? Het strikte standpunt van de overheid botst met het rechtvaardigheidsgevoel van weldenkende mensen. Wet is wet, en gelijke monniken, gelijke kappen, zegt de overheid terwijl zij ons wel vraagt om actief misdaad te melden en overvallers en overtreders te fotograferen: waarom mag eigen initiatief alleen ten kwade en niet ten goede?

Wat kunnen individuele burgers, al dan niet in wisselende verbanden, doen om buiten erkende categorieën om, het beleid te beïnvloeden? Allereerst zou individualisering van haar negatieve imago (‘egoïsme’) moeten worden ontdaan en zouden nieuwe, tijdelijke verbanden als denktanks en actiegroepen de oude partijhegemonie en -trouw moeten doorbreken. Levenslang bij één partij, werkgever of zelfs partner, is van gewaardeerde deugd in de moderne samenleving tot losergedrag geworden. 

Onze wereld IS al geïndividualiseerd, zoals hij destijds al geëmancipeerd was voordat die naam viel: er is alleen actie nodig om de overheid met haar neus op de feiten te drukken; zoals gezegd, kan dat lang duren.

Indignado, verontwaardiging, is bij ingrijpende veranderingen een constructiever uitgangspunt dan occupy of bezetting, en zoeken naar oplossingen handiger dan wijzen naar schuldigen; de oproep niet met je onderdrukker naar bed te gaan, was destijds al even onzinnig als nu het afschaffen van banken – we hebben elkaar nodig en dus moeten we elkaars belangen begrijpen en respecteren, als volwassen individuen van goede wil. Hopelijk stopt de beweging niet bij banken of crisis, want het onbehagen reikt verder en vraagt om nieuwe kaders waar de individuele burger zich in kan vinden om zijn stem gehoord en zijn inbreng gewaardeerd te krijgen, ook zonder in een groep ingedeeld te worden. Een beweging is een golf die begint met zaken bloot te leggen en bij verloop de neiging heeft veel in haar terugslag mee te zuigen. Wat resteert, stopt de overheid in (te krappe) vakken die het basisprobleem niet echt oplossen, zoals boven aangegeven in het geval van de categorie ‘ouders’. Mogen de verontwaardigde strandjutters zich op die blootgelegde vondsten storten en ze ter tafel brengen waar en wanneer de gelegenheid zich voordoet.

Schooltoetsen

Standaard

Elk kind wil leren – vanaf de geboorte leert het dat huilen, zuigen en lachen effectief is. Praten, lopen en blaasbeheersing maken het mogelijk om buitenshuis verdere leerstof op te doen: de school. Daar leert het dat goede cijfers ouders blij maken; daarnaast leert het dat zich handhaven in de groep ook een succesfactor kan zijn. Die aangeboren leergierigheid wordt versterkt bij succes en verdwijnt bij mislukking: wie moeite heeft om goede cijfers te halen, zal zich eerder werpen op scoren in de groep via rebellie tegen plicht in het algemeen en verplicht leren in het bijzonder. Buiten school ligt de wereld van spel, uitdaging en ontdekking en de link met leren raakt voorgoed uit zicht. Jammer, als het zo ver moet komen.

Twee achtjarigen kijken TV; op de suggestie dat de één ook zelf ondertitels zou kunnen lezen in plaats van dat steeds aan de ander te vragen, reageert de aangesprokene: ‘ja zeg, ik ga me daar op woensdagmiddag een beetje zitten lezen!’. Dat tekent het probleem.

Natuurlijk zijn er die wél graag leren lezen en rekenen, maar ook voor hen is het direct maatschappelijk nut van deze vaardigheden vaag (formulieren foutloos invullen, beter omgaan met zakgeld). Ongetwijfeld nuttige zaken maar een leergierig kinderbrein zoekt directer succes van zijn inspanningen. Als het onderwijs de aangeboren leergierigheid op zijn minst zou kunnen behouden, zou er al veel gewonnen zijn, maar helaas lijkt de buitenwereld uitsluitend gefocust op taal en rekenen. Niemand zal ontkennen dat taal de basis vormt van kennisoverdracht maar, net zoals briefschrijven ooit werd ingehaald door telefoon en e-mail, hebben sms en twitter andere communicatievormen met zich meegebracht die het jaarlijkse groot dictee der Nederlandse taal tot een vermakelijke vertoning hebben gemaakt waar geen winnaar meer foutloos is – de regels in het groene  boekje zijn zelfs voor het meest taalgevoelige brein een toevalstreffer geworden. Wie leest of  luistert, gaat het om de inhoud van het verhaal en niet om komma’s of streepjes; zelfs de d/t-kwestie is geen halszaak meer zoals de kwaliteitspers ons elke dag laat zien.

Bij rekenen is foutloosheid juist eerste vereiste, en het is op dit punt dat jonge kinderen (vooral meiden) afhaken: er zijn toch machientjes voor? Bijgeleverde verhalen gaan over wandelaars die van A naar B lopen of kranen die per uur druppelen, niets waar het jonge brein zichzelf in herkent. Zeker jonge kinderen beleven alles concreet, zelfs dromen, verhalen en magie, de echte wereld ontvouwt zich nog lang met diezelfde onbegrensde fantasie die druppende kranen of d/t-woordproblemen verre overstijgt. Fantasie zit in taal via verhalen, songs en poëzie; de grote verhalen der mensheid werden eeuwenlang in versvorm mondeling overgedragen. Leer kinderen taal via poëzie en verhalen die de liefde voor lezen stimuleren en toon het praktisch nut van rekenen aan door middel van concrete toepassingen (wegen, meten, handvaardigheid) en experimenten als het belang van behoud van leergierigheid en stimulering van nieuwsgierigheid voorop staat.

Wie leert lezen aan de hand van rijm, ritme en woordbeeld, en via concrete situaties leert zien waar cijfers en getallen voor staan, bouwt begrip op voor de achterliggende logica en structuren die in een volgend stadium des te gemotiveerder uitgebouwd zullen worden. Toetsen op logisch en zuiver taalgebruik in woord en geschrift (zonder lastige d/t, dat kan ook later nog) en praktisch inzicht in verhoudingen, voor en achter de komma, zou als startkwalificatie voor het voortgezet onderwijs voldoende moeten zijn in een samenleving die zegt uit te gaan van levenslang leren. De rest doet de nieuwe generatie zelf wel, mits zij haar leergierigheid behoudt en haar fantasie niet prijsgeeft.

Weigerambtenaar

Standaard

Er gaat een wereld van verkrampt denken schuil achter dit nieuwe woord, het is in feite een zichzelf tegensprekende term, contradictio in terminis: een ambtenaar is uitvoerder van beleid, waarbij weigeren bestuurlijke ongehoorzaamheid wordt. Burgemeesters in oorlogstijd konden weinig anders doen dan principes tijdelijk terzijde stellen of aftreden, maar ambtenaren die principieel worstelen met homohuwelijken zijn officieel erkend weigerambtenaar zonder zich daarvoor, zoals ooit de burgemeesters, te hoeven generen. En dat in een land dat zich er op beroemt de scheiding van kerk en staat als richtsnoer voor bestuur te hanteren! Het ergste is wel, dat de meeste mensen het geen probleem lijken te vinden; men ziet het in het verlengde van de privé keuze en vergeet gemakshalve dat die in het officieel functioneren geen rol mag spelen, zomin als een verzekeraar mag weigeren een Mercedes te verzekeren ook al rijdt hij zelf liever een Frans merk.

Het hele probleem zou te omzeilen zijn als de overheid zich überhaupt niet meer zou bemoeien met de manier waarop mensen willen samenleven, en ooit was het ook zo. Tot ongeveer het jaar 1000 noteerde de kerk alleen doden en pasgeborenen; met wereldse liefde had zij sowieso niets. Gewone mensen woonden samen op basis van beiderzijds goedvinden; alleen waar geld, grond of goederen bij de relatie betrokken waren en dus officiële registratie nodig was, werd de ‘fusie’ bezegeld in huwelijksvoltrekking door de kerk, meestal in de persoon van de hofgeestelijke of kapelaan die voor de adel de ambtenarij vormde (klerk = clericus) omdat verder niemand kon lezen of schrijven.

Toen in de 11e eeuw de welvaart toenam, groeide de behoefte aan zuivering van kerk en geloof – grote kloosterbewegingen en pelgrimages zetten de toon waaruit ook de kruistochten tegen ongelovigen voortkwamen. Op dat toppunt van haar macht eigende de kerk zich ook het huwelijk als sacrament toe: in diezelfde golf werd seks buiten dit sacrale huwelijk tot zonde verklaard en het celibaat uitgebreid tot alle geestelijken – voor die tijd gold dat alleen voor kloosters en de hoogste geestelijkheid.

Dit ritueel nam de wereldlijke overheid na de Franse revolutie als totaalpakket over: wat was makkelijker dan het gezin als geheel te zien, met de man als verantwoordelijk aanspreekpunt voor de overheid? Vrouwen- en homo-emancipatie en individualisering brachten vervolgens nieuwe leefvormen, elk met een apart stempel (homohuwelijk, alleenstaande, LAT-relatie) die binnen het traditionele model ingepast werden. Die verschillen maken dat handige types op zoek gaan naar schijnconstructies die dan weer gecontroleerd moeten worden via tellen van tandenborstels en burenverklikkers.

Zou de overheid niet beter af zijn door iedereen tot individu te verklaren, onafhankelijk van de manier waarop en met wie men leeft en woont? Te duur[1]· zegt de overheid, juist vanwege dat calculerend gedrag; terwijl het in wezen de overheid is die calculeert en via haar intussen traditioneel geworden inzegeningshandeling mensen in de door haar gewenste richting stuurt. Traditie vraagt blijkbaar om officiële inzegening, terwijl de registratie in feite een berekenende handeling van de overheid is. Hoezeer de personen in kwestie er ook een romantisch tintje aan toekennen, de handtekening die zij zetten is niet anders dan die onder elk ander contract. Naarmate meer mensen op huwelijkse voorwaarden trouwen (wat trouwens beter zou zijn dan de standaard condities van de overheid, maar op dat moment wordt juist dáár geen uitleg over gegeven) zou ook de notaris die handtekening als officiële bevestiging kunnen meegeven, desgewenst en na enige oefening zelfs met een zinvolle toespraak. Feesten kan ook zonder trouwboekje en ambtenaar: voor een goede toespraak vindt men altijd wel een vriend of familielid – de meeste verbintenissen zijn toch allang niet meer voor eeuwig en soms kan zelfs een scheiding reden tot uitbundig feestvieren zijn.

Wat registratie van geboortes betreft zou men kunnen volstaan met aangifte door de moeder en DNA-registratie vanuit de navelstreng: het vaderschap was in één op de tien gevallen toch altijd al dubieus en zou zo veel exacter kunnen plaatsvinden.

Overtollige ambtenaren, de weigerachtige even goed als de welwillende, kunnen omgeschoold worden voor de zorg en het onderwijs, waar weigeren geen optie meer zal zijn: daar kunnen ook CDA, CU en SGP zich niet tegen verzetten.


[1] Samenwonen met individuele uitkering mag dan duurder zijn, maar schept tevens extra woonruimte en onderlinge zorgcapaciteit, zeker voor ouderen; dus mogelijk kostenneutraal, zeker als men ook de ambtelijke opsporingskosten meerekent.