leerplicht versus leerrecht

Standaard

Leerplicht is in principe een goede zaak maar, net als met medicijnen, kunnen ook goede zaken nare bijwerkingen hebben: daar hoort men in het geval van leerplicht weinig over.

In elk geval heeft de school niet het monopolie van leren: daarbuiten leert men soms meer – zie Steve Jobs, Bill Gates en vergeet het zeilmeisje niet. (www.mirjamhommes.nl)

Korte historie van de leerplicht:

Rond 1900 werd in de meeste Westeuropese landen leerplicht tot het twaalfde jaar ingevoerd; in de 19e eeuw vond men leren voor arbeiderskinderen onnodig. Ze leerden immers beter in de praktijk: meisjes huishouden en verzorging, jongens op de boerderij. Eind van die eeuw veranderde de samenleving door industrialisatie: men trok massaal naar de steden met als triest resultaat grootschalige uitbuiting. Maatschappelijk protest leidde tot een verbod op kinderarbeid waarna de leerplicht volgde; wat moest je anders met de kinderen? Vol goede bedoelingen werden standaard lesmethoden ontwikkeld, gebaseerd op wat ineens Algemeen Beschaafd Nederlands ging heten: oude, over landsgrenzen reikende dialecten en volkstalen werden voortaan ‘fout’ gerekend zodat de meeste kinderen een voor hen vreemde taal leerden. Het Vlaams, voordien tot aan Lille (Rijsel) gesproken en begrepen, verdween zo geleidelijk achter de grens, terwijl geschiedenis van mondeling overgedragen verhalen tot apart vak werd gemaakt dat de jeugd het voorvaderlijk heldendom moest bijbrengen met passende liederen als ‘van vreemde smetten vrij’. Later zouden twee wereldoorlogen die vreemde smetten breder uitmeten, elk aan gene zijde van die in kinderhoofden opgetrokken barrières. Natuurlijk was niet alleen de leerplicht met zijn nationalistisch lesprogramma hiervoor verantwoordelijk, maar het vormde wel het begin van een op eigen volk gericht tijdperk met eigen sociale wetten, eigen lespakketten en eigen kwalificaties (diploma’s) voor publieke en uiteindelijk voor alle functies, terwijl elkaar internationaal inspirerende kunstenaars en geleerden, maar ook gewone werkzoekenden te maken kregen met vestigings- en toelatingseisen. De tijd van één land, één volk, één leider en eigen volk eerst, kwam zo ongemerkt dichterbij, eerst nog in de vorm van trots, geleidelijk echter steeds meer als superioriteitsgevoel. In het voortgezet onderwijs leerde men wel ‘vreemde talen’ maar tegelijk werd de eigen taal gezuiverd van vreemde smetten als anglicismen en germanismen. Wandkaarten in het klaslokaal lieten een grote eigen natie zien zonder relatie tot de wereld ‘at large’.  Heel voorzichtig kwam na 1945 het idee van Europa als eenheid terug, als was het iets compleet nieuws. Het Duits van de exacte wetenschap, het Frans van de nieuwe kunst, het Engels van de bankwereld, kregen hun oude internationale functie weer terug via de nieuwe wereldtaal die door de Engelse prins Charles als ‘bad English’ werd omschreven.

Leerplicht nu:

Tijdens de periode van ijverig kennis stampen vergat men dat taal geen doel is maar een handig instrument dat, net als elk ander werktuig, juist gehanteerd moet worden: les in zuiver argumenteren lijkt daarbij nuttiger dan kennis van spellingsregels die beheerst moeten worden voordat je aan een carrière of echte studie mag beginnen.  Ook rekenen zou allereerst instrument moeten zijn om interesse voor toepassing in de techniek bij te brengen.  Zeker in de puberteit wil de jeugd het liefst doelgericht leren, onderzoeken en ondervinden. Zo leert zij na te denken, het think different van Steve Jobs en Bill Gates die ook buiten de geijkte paden traden. Dwang tot leerplicht doodt die buitenschoolse leergierigheid, zoals nu ook het intussen legendarische zeilmeisje zich afkeert van alle examen- en diplomadwang die haar vanuit een verouderd leersysteem wordt opgelegd. Het wordt tijd de leerplicht althans in het voortgezet onderwijs te vervangen door een uitdagender en meer inspirerend leerrecht, in lijn met de éducation permanente waar de overheid zo vaak de mond vol van heeft: laat ze dat eerst maar eens waar maken.

Leerrecht

De oude wet die kinderen tot hun twaalfde jaar verbood te werken en dus naar school stuurde, lijkt nog steeds hanteerbaar; jonge kinderen gaan graag naar school. Problemen binnen het onderwijs betreffen vooral het vervolgonderwijs, en dan vooral bij (een deel van) de jongens. Vroeger gingen jongens na de basisschool aan het werk of naar zee – testosteronwerking maakte disciplinering moeilijk voor ouders. Op zee of bij een baas beschikte men over krachtiger methoden voor deze tegendraadse categorie. Meiden gingen gewoonlijk naar een dienstje waar ze van een ‘mevrouw’ het huishouden leerden tot ze trouwden. De latere huishoudschool had meer status, terwijl ook vrouwen met personeel schaarser werden. Tegelijkertijd gingen meer jongens (M)ULO of zelfs de HBS volgen om hun kansen op de arbeids- en huwelijksmarkt te vergroten: in die tijd een goede reden om verder te leren. Wie geen werk had, leed armoede, zo simpel was het: uitkeringen waren er niet of heel laag. Externe motivatie, zou men nu zeggen.

In de naoorlogse  periode van welvaart en verworven rechten werden uitkeringen steeds meer als basisinkomen gezien waarmee de urgentie verdween om zich te scholen voor een vage kantoorbaan bij de overheid of één van de bedrijven die in Nederland uit de grond schoten. Geen vader vroeg naar de vooruitzichten van zijn dochters’ vriendje; de dochter zelf zocht eerder een muzikale vrijgevochten hippie dan een suffe kantoor- of winkelbediende, zodat de aanschaf van een instrument of geluidsinstallatie op dat vlak lonender werd. De school verloor haar betekenis voor carrières, studenten eisten andere leerwegen en pleitten voor verbreken van de band tussen school, universiteit en bedrijfsleven: onderwijs en studie moesten vrij zijn, vrij van belangen, geld en andere kwaden in de samenleving. Overtuigd dat de verheffingsfilosofie van mammoetscholen het onderscheid tussen hoofd- en handwerk zou doen verdwijnen, sloot men specifieke beroepsopleidingen. De mammoetconstructie bood de mogelijkheid om over te stappen van hoog naar lager en andersom – dit laatste met verlies van een jaar, een verlenging die het ongedurig jongenshart al helemaal niet aansprak. Jongens die vroeger naar een baas of naar zee gingen, schoven door hun dadendrang snel door naar lager in rangorde, terwijl meiden het steeds beter gingen doen: geen wonder, zij waren als soort lang buiten het voortgezet onderwijs gehouden en hoorden van thuis hoe zij boften. Daarbij kwam dat zij bij uitstek geschikt bleken voor op talen gefocust onderwijs binnen het systeem; de wiskundekant lieten zij sowieso vallen.

Via de wet tot bijwonen van lessen verplicht, zit sindsdien dit met ongedurig testosteron overladen deel van de jongens ongemotiveerd de boel te versjteren, docenten uit te dagen of ronduit te bedreigen, altijd de lachers op de hand en het gezag op verlies. Logisch dat er bijna geen gegadigden meer te vinden zijn die deze generatie van ‘had je wat?’ überhaupt nog iets bij willen brengen: het beroep van docent leidt net iets te vaak tot vervroegde uittreding en/of therapeutische behandeling. Ga er maar aan staan.

Leerplicht en verbod op kinderarbeid maken het onmogelijk om lastpakken ouderwets aan het werk te zetten, terwijl dat nu juist is wat ze in hun ‘vrije tijd’ doen, als de school hen niet langer in de weg zit. Ze werken zich rot in handel en koeriersdiensten, in het ontwerpen van systemen en apps; ze verkennen markten, leren presenteren, concurreren, overtuigen en verkopen. Pogingen om hun kansen op de arbeidsmarkt via een diploma te vergroten, zijn in de meeste gevallen zinloos, zolang de buitenschoolse activiteiten op korte termijn meer opleveren. Beter lijkt het te erkennen dat ook buiten school geleerd wordt (tussen haakjes misschien wel de reden dat meiden, ondanks alle ijver op school, in het echte leven op de arbeidsmarkt worden voorbij gestreefd door diezelfde jongens die buiten school geleerd hebben zich een plek in de maatschappij te verwerven). Sommige uitgewoede lastpakken ontdekken in de praktijk welke kennis of vaardigheden zij alsnog, intussen beter gemotiveerd, willen verwerven. Terwijl de overheid ‘levenslang leren’ zegt na te streven, houdt studiefinanciering echter na het 27e jaar op en worden beperkingen gesteld aan de studieduur zelf, waardoor buitenschoolse leerwegen naast de studie vrijwel onmogelijk worden – opleiding lijkt zo alleen van kennisabsorptie af te hangen zonder praktische component. Om al deze redenen zou de leerplicht beter kunnen worden vervangen door levenslang leerrecht, bijvoorbeeld in de vorm van een strikt persoonlijke strippenkaart voor 12 jaar voortgezet en/of hoger onderwijs, op elk moment na de (wel verplichte) basisschool te verzilveren. Voor toelating tot hoger onderwijs zou een officieel staatsexamen moeten worden afgelegd in de voor de studie relevante onderdelen; uitsluitend dat uniforme diploma zou rechtsgeldig moeten zijn, ongeacht via welke opleiding en op welke leeftijd dit bewijs verkregen is. Als startkwalificatie voor de arbeidsmarkt zal het einddiploma van het voortgezet onderwijs dan ongetwijfeld zijn waarde gaan verliezen, maar dat zal gecompenseerd kunnen worden door aanbevelingen van werkgevers op de levensweg en/of via een proefperiode. Uiteindelijk wordt ook nu al zelden naar diploma’s gevraagd.

De voordelen van leerrecht boven leerplicht zijn voor het voortgezet onderwijs evident: lastpakken leren voorlopig meer buiten, gemotiveerde leerlingen meer in de klas, terwijl de docent het plezier in zijn eigenlijke werk hervindt. Ook het leerproces zelf zal voor alle betrokkenen interessanter worden vanwege de verschillende leeftijdsgroepen met diverse praktijkervaring in één leslokaal. Het zal leiden tot gerichte kennisoverdracht aan een veelzijdig publiek: voor de één zal het tot betere carrièrekansen leiden, voor een ander tot inhalen van ooit gemiste kansen, voor weer anderen tot uitstel van dementie of andere ouderdomskwalen, terwijl jonge vrouwen de gelegenheid krijgen op een biologisch gunstig tijdstip kinderen te krijgen en later in alle rust te studeren. Het denken in afgeperkte beleidsterreinen maakt nu nog dat het budget voor zorg los staat van dat voor onderwijs, maar een maatregel als boven omschreven zal zorgkosten zeker kunnen verminderen, zodat van algemeen maatschappelijk nut gesproken kan worden.

 

 

Sociale onzekerheid is zo gek nog niet

Standaard

Sociale onzekerheid is zo gek nog niet

 

‘Security is the fiercest enemy of man’ zegt één van de heksen in Shakespeare’s Macbeth en (em.) hoogleraar geneeskunde Kammeijer en oud CDA-kamerlid Kok zeggen het haar na in het opiniekatern van de Volkskrant van 13 januari (Zalig niets doen bestaat niet).

 

Doorschuiven van risico’s in het leven naar een alles regulerende overheid tast het eigen verantwoordelijkheidsgevoel voor keuzes aan. De overheid moet zowel waarschuwen voor foute keuzes als de gevolgen van (toch nog) foute keuzes repareren. Net als bij kinderen het geval is, blijken gezondheidsadviezen door lager opgeleide volwassenen terzijde geschoven te worden als de verleiding van zoet, vet en entertainment binnen handbereik ligt en er geen sancties op volgen. Die sancties komen in toenemende mate van het eigen lijf: de gezondheid en levensverwachting van ‘overtreders’ is aanzienlijk minder gunstig dan die van bewust kiezende en levende volwassenen. Wat vaak ‘erfelijke aanleg’ wordt genoemd, berust volgens diverse medische publicaties op al in de baarmoeder aangeleerd gedrag dat zich behaaglijk aan de genen hecht. Typisch is, dat in de grote economische crisis van de jaren ’30 van de vorige eeuw moderne kwalen als obesitas en diabetes weinig voorkwamen in de armste klassen, waar zij juist nu de hoofdmoot van de klachten vormen.

Dus toch: eigen schuld, dikke bult? Met die dooddoener wordt elke vorm van kritiek op de levensstijl van die lagere inkomensklasse afgewimpeld en wordt solidariteit gevraagd van welgestelden bij de uit de hand lopende zorgkosten. Vakbonden roepen vanouds over ‘zwaar werk’ en ‘uitbuiting’ als oorzaak van vroegtijdige slijtage van arbeiders maar hebben weinig oog voor de inmiddels sterk verbeterde werkomstandigheden in de industrie en de vele kansen die onze samenleving biedt om via om- her- en bijscholing naar minder geestdodend of zwaar werk over te stappen en zo via studie of andere vorm van uitdaging lijf en geest als het ware op te laden en te behoeden voor lichamelijke klachten en een dementerend brein. ‘Zalig niets doen’ met pensioen of uitkering, chips, bier en afstandsbediening bij de hand, leidt tot vervroegde veroudering van alle functies, geestelijke net zo goed als lichamelijke, stellen de schrijvers van het artikel. Hoe zou het anders, beter kunnen?

De spreekwoordelijke stratenmaker zou al na op zijn hoogst tien jaar praktijkervaring een eigen bedrijf kunnen beginnen waar hij adviezen geeft aan overheid en particulieren en daarnaast nieuwe gegadigden voor dit mooie vak opleidt. Handige jongens hebben het goed lonende beroep van ambulant klusjesman aan huis al ontdekt en ook op elk ander dienstverlenend gebied groeit het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzpers). Nog probeert de vakbond dit verschijnsel in zijn oude werkgever-werknemer model te integreren, maar als iedereen tegelijk werkgever en werknemer is, werkt het niet meer. Systemen als beloning naar leeftijd en niet naar prestatie, bescherming tegen ontslag en ziekte, arbeids- en sluitingstijden en verplichte vrije dagen, zullen niet in de oude vorm houdbaar blijken in een zichzelf constant veranderend en verbeterend arbeidsbestel. (Neo)liberaal en vrije markt, eveneens afschrikwekkend bedoelde termen, bepalen ongemerkt allang de economie en verwachtingen dat ‘de overheid’ ons bedrijfsleven wel zal redden staan in schril contrast met de oproep aan burgers om bewust Nederlandse producten te kopen in de genoemde vooroorlogse crisisjaren. Het is juist de ‘eigen volk eerst’ aanhang die de via uitbuiting goedkoop gemaakte producten koopt bij daarin gespecialiseerde superstores die ook nog eens weinig bijdragen aan verfraaiing van het stadsbeeld en geleidelijk de betere zaken zullen overvleugelen. U vraagt, wij draaien, what you see is what you get. We doen het uiteindelijk allemaal zelf, op elk gebied.

CITO-scores

Standaard

De één geeft docenten de schuld voor de relatief slechte CITO-scores (te weinig gekwalificeerd), de ander wijt het aan de leeromgeving (teveel probleemleerlingen), maar niemand heeft het over het onderwijs zelf. Is dat nog wel up to date? Waarom zijn de resultaten op Finse scholen beter? Op een filmpje zag ik jonge kinderen er wegen en meten in plaats van sommen maken en taallesjes leren; breindeskundigen weten allang dat bewegen de memorisatie ten goede komt. Daarbij is toetsen van leerstof aan praktische ervaring natuurlijk altijd nuttig – de als grapje gehanteerde  ‘som’ van drie vogels op een dak en een jager die er één doodschiet (dus hoeveel blijven er zitten? Natuurlijk niet één) zet kinderen aan het denken, wat de bedoeling van leren is of zou moeten zijn in deze tijd. Te simpel om dit antwoord als fout af te doen.

De CITO-toets meet echter louter uit het hoofd geleerde regels waarvan de toepassing niet aan de orde komt – het jonge kind leert om te presteren voor ouders, juf of meester, niet voor het leven. Wat zou het mooi zijn als een toets na zes jaar basisonderwijs zou uitwijzen waarin de leerling goed is en welke tekorten aangevuld kunnen worden: slim, handig, sociaal, creatief, sportief, adequaat reagerend, meelevend, voorkomend – vaardigheden die wel als karaktereigenschappen worden beschouwd maar ook geleerd en ontwikkeld kunnen worden, zij het bij de één sneller en sterker dan bij de ander. Eerst en vooral zou de ieder kind aangeboren leergierigheid gekoesterd moeten worden. School komt van het Griekse schole, dat vrije tijd betekent: ooit leerde men voor zijn plezier. In discussie en debat leerde men denken en filosoferen: think different zou men nu zeggen. In principe kwam het neer op de vogels en de jager: wat denk je er zelf van? De diplomajacht van onze samenleving mag dan in het voortgezet onderwijs nuttig zijn als voorportaal voor een academische studie, de idiotie van driejarig bloemschikken of campingentertainment toont al aan dat leren ook via oefenen en gezond verstand tot bevredigend resultaat kan leiden – het mag geen doel op zichzelf worden. Ook Bill Gates had geen diploma, evenals talloze uitblinkers in de muzikale en creatieve sector.

Zeker jonge kinderen hebben een onbegrensde fantasie. Fantasie zit in taal via verhalen, songs en poëzie; grote verhalen der mensheid zijn eeuwenlang in versvorm mondeling overgedragen. Via zang en verhalen wordt de liefde voor taal en lezen gestimuleerd, terwijl het nut van rekenen door concrete toepassingen (wegen, meten, knutselen) wordt aangetoond, zoals dat in het Finse basisonderwijs gebeurt. Wie leert lezen aan de hand van rijm, ritme en woordbeeld, en via concrete situaties leert zien waar cijfers en getallen voor staan, bouwt kennis en begrip op voor de achterliggende logica die later gemotiveerd uitgebouwd zal kunnen worden. Ook het ouderwets klassikaal opzeggen van tafels heeft trouwens een ritmisch memoriserend effect waar kinderen plezier in hebben – jammer dat daar op de meeste scholen de klad in gekomen is.

Naast de nadruk op bepaalde sociale vaardigheden als kwalificatie voor een geschikte vorm van vervolgonderwijs, zou toetsing op logisch en zuiver taalgebruik in woord en geschrift (zonder knelpunten als d/t, dat kan ook later nog) en praktisch inzicht in verhoudingen, voor en achter de komma, voldoende moeten zijn in een samenleving die zegt uit te gaan van levenslang leren. De rest doet de nieuwe generatie zelf wel, mits zij haar leergierigheid behoudt en haar fantasie niet prijsgeeft.

Als dan ook nog de leerplicht voor het voortgezet onderwijs wordt vervangen door een levenslang leerrecht – wellicht in de vorm van een strippenkaart – waardoor sommigen ook later en beter gemotiveerd kunnen instromen, wordt het lesgeven ook in de nu nog door leerplicht verziekte lessituaties weer een genoegen voor de betreffende docenten, maar dat wordt weer een ander verhaal, volgende keer.

Winterwind in het Midden Oosten

Standaard

Er waait duidelijk een nieuwe wind door het Midden Oosten: niet alleen de spontane revolutiegolf van de Arabische lente, maar ook de resolute claim op erkenning van een eigen staat door de Palestijnse leider via de achterdeur van Unesco, doorbreken de strategie van eindeloos onderhandelen. Die nieuwe wind verdrijft de oude geur van wederzijds slachtofferisme: holocaust, asielzoekers, naar kampen verjaagde Palestijnen – ineens zijn het sterke mensen die hun lot in eigen hand nemen. Israël heeft naast de holocaustslachtofferrol, moreel en financieel gesteund door het westen, herhaaldelijk al het wapen van preventieve aanval ingezet, terwijl de door rijke oliestaten vanwege de goed scorende slachtofferstatus bewust arm en zielig gehouden Palestijnen soms op individuele basis hun weg in zelfmoordcommando’s vonden. Slachtofferschap is echter uit: het westen raakt overtuigd dat alleen maar opvang en verzorging van vervolgden, onderdrukten en verdrevenen op den duur contraproductief is omdat het opstand tegen  onderdrukkende leiders in de weg staat.

In dit nieuwe ‘doe-voor-doem’-scenario melden zich in het kielzog van de Arabische lente nieuwe spelers die oude kwesties vanuit die nieuwe visie bezien en ongetwijfeld zal Israël daarin testcase zijn, wat de rest van de wereld en zeker Europa niet onberoerd zal laten. Ooit werd zij door een Griekse god uit het midden oosten geschaakt, nu moet zij toezien hoe die regio zelf schaakbord is geworden; haar afgewezen minnaar Turkije steunt openlijk de radicale Palestijnen (die niets moeten hebben van de Westbankleider en zijn voorstellen: voor hen is Israël Palestina), koopt stukje bij beetje failliet Griekenland op en boort naar gas voor de Cypriotische kust. Zijn liefde voor Europa is duidelijk ingeruild voor het aantrekkelijker perspectief van reanimatie van het oude Ottomaanse rijk. Terwijl Europa nog twist over sanering van Griekenland, leent Turkije’s klassieke vijand Rusland tegen 4% geld aan  Cyprus: welk spel speelt deze leider die zijn presidentschap voor twaalf jaar veilig heeft gesteld en het financieel genie van zijn regering heeft weggekocht? Zijn troef is geld en gas, maar de moslimtroef zit in handen van de Turkse premier die al even vast in het zadel zit voor de komende periode en die niet voor niets ook naar gas op zoek is. Andere spelers stoken vuurtjes op door ontkenning van genocide strafbaar te stellen; er wordt op minstens vier borden tegelijk geschaakt en gaandeweg worden stukken verzet en pionnen geofferd (Koerden, Kopten, Armeniërs, Grieken); Israël ziet de bui hangen en bouwt nieuwe muren.

Het is onverstandig de spelers te onderschatten, ongeacht welk spel gespeeld wordt op welk speelveld ook, midden oosten of zuidoost Europa: er zijn meer oude rekeningen te vereffenen in die regio. Welke steun kan de Palestijnse leider in eigen kring verwachten? Voor welk geld of gas gaat Europa door de knieën en is het niet cynisch dat ook Israël aan het Russische of Turkse gas zal moeten nu het nieuwe Egypte constant de leidingen onklaar maakt? Zal Israël überhaupt nog kunnen kiezen? Gaat de moslim-lentewereld aan het Turkse wintergas of wordt het Iraanse kernenergie? Moet het, tenslotte, uiteindelijk Rusland zijn dat Griekenland, Europa en Israël gaat redden? En tot welke prijs? Gas of geen gas: Europa zal het koud krijgen deze winter, als ze zelf geen tegengas biedt in dit spel dat om haar heen wordt uitgevochten – van spelen is allang geen sprake meer.

 

liever indignado dan occupy

Standaard

Viaje_klein

Wie niets te verliezen heeft, is filosofisch en economisch gezien de ultiem vrije mens die zich onbelemmerd kan uiten, desnoods in een schreeuw zoals ooit door Munch zo expressief geschilderd. Met voldoende lotgenoten wordt die schreeuw een beweging met één gezamenlijk doel. De tot zelfmoord gedreven radeloze Tunesische fruitverkoper startte zo een jaar geleden de Arabische lente waarmee Egypte, Tunesië en Libië versneld in een nieuw stadium belandden, terwijl naburige regimes dit lot nog trachten te bezweren. Of die in gang gezette stroom leidt tot de gewenste inbedding moet worden afgewacht, maar de boodschap aan dictators en onderdrukten is duidelijk. Terecht dan ook dat de radeloze fruitverkoper als prototype van ‘de demonstrant’ tot persoon van het jaar werd gekozen door Time Magazine.

Wie wél iets te verliezen heeft, zoals in de westerse welvaartwereld, strijdt liever binnen wettelijk toegestane betogingen. Deze zomer gebeurde dat onder de leus indignado: verontwaardigd. Wie vroeg waar die verontwaardiging  op sloeg, kreeg verschillende antwoorden: banken, bonussen, consumptiemaatschappij, soms ook gelijkheid of klimaat. Een algemeen, ondefinieerbaar onbehagen lijkt zich over onze wereld te hebben gespreid nu door de economische crisis zekerheden en verworven rechten ter discussie komen te staan. Ooit ruilden we oude verbanden als familie, kerk en partij in voor door de overheid geregeld algemeen welzijn, maar nu blijken we sneller dan verwacht op minimumniveau van uitkering en bijstand te kunnen belanden. De rest moeten we zelf uitzoeken: we zijn vrij om onszelf te zijn maar onzeker wat dat inhoudt. 

Als reactie idealiseren we de saamhorigheid van de jaren zestig: hippies, provo, krakers, studentenopstand – we hadden er bij willen zijn. In een tent tussen lotgenoten kregen we dat gevoel even terug: romantisch, en zeker niet bedreigend voor de gevestigde orde: zelfs in eigen gelederen stelden we ordediensten en officiële woordvoerders aan. De beweging mag dan op het oog stagneren bij het invallen van de winter, het onbehagen blijft en zoekt duidelijk een gemeenschappelijke noemer.

Niemand is zich bewust dat juist die (geïdealiseerde) saamhorigheid zelf ter discussie staat: we weten onze verworven vrijheid geen vorm te geven in een wereld die de term individualisering vooral negatief vertaalt (ieder voor zich en God voor ons allen) zodat we ons schuldbewust extra betrokken tonen: liefdadigheid en groen scoren hoog. Maar het onbehagen blijft zeuren – we willen zelf iets doen, iets betekenen. De overheid nam dan wel verantwoordelijkheden over, maar bleef het individu miskennen door ons tot categorie te maken: patiënt, consument, werknemer, werkgever, werkloze, AOW-er en kiezer (als de tijd daar is). Intussen valt er echter als patiënt of consument meer te kiezen dan als individuele burger: ziekenhuizen worden tenminste nog geselecteerd op succes, de commercie biedt ‘koning’ klant ruime keus en niet goed, geld terug, maar bij het landsbestuur moeten we maar afwachten hoe het uitvalt en verhaal is er niet. Alleen als zwevende kiezer kunnen we nog enige macht uitoefenen maar het lost de individuele miskenning niet op. Waar moeten we als burger heen met kritiek of ideeën? – ‘namens wie spreekt u?’ zegt de overheid; ‘zet maar op Internet’, zegt de rest. De sociale media scheppen nieuwe verbanden, ad hoc, zoals ook de Arabische opstand haar achterban rekruteerde, maar van effect op het beleid is in de strak georganiseerde westerse overheid geen sprake. Zij is niet te beroerd om af en toe mee te twitteren, maar trekt zich er verder weinig van aan. Ze hoeft ook niet, zolang het alleen om vaag onbehagen gaat: in feite bestaat dat niet.

Ook de golf die volgde op ‘het onbehagen van de vrouw’ (artikel Joke Smit 1967) is nog steeds niet echt in haar boezem neergedaald, gezien haar recente oproep aan ‘ouders’ om minder te gaan werken en beter op hun kinderen te letten. Onder druk van actiegroepen werden man en vrouw destijds wel voor de wet gelijkgesteld maar de onderliggende structuur bleef onbenoemd en daardoor buiten de concrete eisen zodat, ondanks de neutrale benaming ‘ouders’, de oproep duidelijk op moeders slaat die in de praktijk makkelijker werktijd kunnen inleveren met hun los-vaste baantjes vanwege het nog steeds gebrekkige school- en opvangbeleid. Pas als de school haar educatieve taak serieus neemt, kan gelijkstelling eindelijk definitief worden: elders in de wereld dekt het woord education naast opvoeding ook onderwijs, dus inclusief kinderopvang en school. Dit om aan te geven dat de overheid vaag onbehagen niet oplost; zij wil concrete eisen.

 

De indignado’s lopen met hun te grote, te vage wereldproblemen eenzelfde risico terwijl juist zij zouden kunnen bijdragen aan de afronding van dat in gang gezette proces van emancipatie (‘ontvoogding’) dat tot breder, individueel onbehagen is uitgegroeid. Net zoals destijds de vrouw onmondig was, voelt nu elke bewust levende en kiezende burger zich monddood in overheidsbesluiten en zoekt naar meer en grotere betrokkenheid dan af en toe een inspraakronde of opiniepeiling: zie de inmiddels legendarische Mauro. De overheid denkt in categorieën (al die andere Mauros!) terwijl de burger het individu voorop stelt. Waarom zouden individuele burgers, zoals het pleeggezin, zich niet garant mogen stellen voor een asielzoeker? Het strikte standpunt van de overheid botst met het rechtvaardigheidsgevoel van weldenkende mensen. Wet is wet, en gelijke monniken, gelijke kappen, zegt de overheid terwijl zij ons wel vraagt om actief misdaad te melden en overvallers en overtreders te fotograferen: waarom mag eigen initiatief alleen ten kwade en niet ten goede?

Wat kunnen individuele burgers, al dan niet in wisselende verbanden, doen om buiten erkende categorieën om, het beleid te beïnvloeden? Allereerst zou individualisering van haar negatieve imago (‘egoïsme’) moeten worden ontdaan en zouden nieuwe, tijdelijke verbanden als denktanks en actiegroepen de oude partijhegemonie en -trouw moeten doorbreken. Levenslang bij één partij, werkgever of zelfs partner, is van gewaardeerde deugd in de moderne samenleving tot losergedrag geworden. 

Onze wereld IS al geïndividualiseerd, zoals hij destijds al geëmancipeerd was voordat die naam viel: er is alleen actie nodig om de overheid met haar neus op de feiten te drukken; zoals gezegd, kan dat lang duren.

Indignado, verontwaardiging, is bij ingrijpende veranderingen een constructiever uitgangspunt dan occupy of bezetting, en zoeken naar oplossingen handiger dan wijzen naar schuldigen; de oproep niet met je onderdrukker naar bed te gaan, was destijds al even onzinnig als nu het afschaffen van banken – we hebben elkaar nodig en dus moeten we elkaars belangen begrijpen en respecteren, als volwassen individuen van goede wil. Hopelijk stopt de beweging niet bij banken of crisis, want het onbehagen reikt verder en vraagt om nieuwe kaders waar de individuele burger zich in kan vinden om zijn stem gehoord en zijn inbreng gewaardeerd te krijgen, ook zonder in een groep ingedeeld te worden. Een beweging is een golf die begint met zaken bloot te leggen en bij verloop de neiging heeft veel in haar terugslag mee te zuigen. Wat resteert, stopt de overheid in (te krappe) vakken die het basisprobleem niet echt oplossen, zoals boven aangegeven in het geval van de categorie ‘ouders’. Mogen de verontwaardigde strandjutters zich op die blootgelegde vondsten storten en ze ter tafel brengen waar en wanneer de gelegenheid zich voordoet.

Schooltoetsen

Standaard

Elk kind wil leren – vanaf de geboorte leert het dat huilen, zuigen en lachen effectief is. Praten, lopen en blaasbeheersing maken het mogelijk om buitenshuis verdere leerstof op te doen: de school. Daar leert het dat goede cijfers ouders blij maken; daarnaast leert het dat zich handhaven in de groep ook een succesfactor kan zijn. Die aangeboren leergierigheid wordt versterkt bij succes en verdwijnt bij mislukking: wie moeite heeft om goede cijfers te halen, zal zich eerder werpen op scoren in de groep via rebellie tegen plicht in het algemeen en verplicht leren in het bijzonder. Buiten school ligt de wereld van spel, uitdaging en ontdekking en de link met leren raakt voorgoed uit zicht. Jammer, als het zo ver moet komen.

Twee achtjarigen kijken TV; op de suggestie dat de één ook zelf ondertitels zou kunnen lezen in plaats van dat steeds aan de ander te vragen, reageert de aangesprokene: ‘ja zeg, ik ga me daar op woensdagmiddag een beetje zitten lezen!’. Dat tekent het probleem.

Natuurlijk zijn er die wél graag leren lezen en rekenen, maar ook voor hen is het direct maatschappelijk nut van deze vaardigheden vaag (formulieren foutloos invullen, beter omgaan met zakgeld). Ongetwijfeld nuttige zaken maar een leergierig kinderbrein zoekt directer succes van zijn inspanningen. Als het onderwijs de aangeboren leergierigheid op zijn minst zou kunnen behouden, zou er al veel gewonnen zijn, maar helaas lijkt de buitenwereld uitsluitend gefocust op taal en rekenen. Niemand zal ontkennen dat taal de basis vormt van kennisoverdracht maar, net zoals briefschrijven ooit werd ingehaald door telefoon en e-mail, hebben sms en twitter andere communicatievormen met zich meegebracht die het jaarlijkse groot dictee der Nederlandse taal tot een vermakelijke vertoning hebben gemaakt waar geen winnaar meer foutloos is – de regels in het groene  boekje zijn zelfs voor het meest taalgevoelige brein een toevalstreffer geworden. Wie leest of  luistert, gaat het om de inhoud van het verhaal en niet om komma’s of streepjes; zelfs de d/t-kwestie is geen halszaak meer zoals de kwaliteitspers ons elke dag laat zien.

Bij rekenen is foutloosheid juist eerste vereiste, en het is op dit punt dat jonge kinderen (vooral meiden) afhaken: er zijn toch machientjes voor? Bijgeleverde verhalen gaan over wandelaars die van A naar B lopen of kranen die per uur druppelen, niets waar het jonge brein zichzelf in herkent. Zeker jonge kinderen beleven alles concreet, zelfs dromen, verhalen en magie, de echte wereld ontvouwt zich nog lang met diezelfde onbegrensde fantasie die druppende kranen of d/t-woordproblemen verre overstijgt. Fantasie zit in taal via verhalen, songs en poëzie; de grote verhalen der mensheid werden eeuwenlang in versvorm mondeling overgedragen. Leer kinderen taal via poëzie en verhalen die de liefde voor lezen stimuleren en toon het praktisch nut van rekenen aan door middel van concrete toepassingen (wegen, meten, handvaardigheid) en experimenten als het belang van behoud van leergierigheid en stimulering van nieuwsgierigheid voorop staat.

Wie leert lezen aan de hand van rijm, ritme en woordbeeld, en via concrete situaties leert zien waar cijfers en getallen voor staan, bouwt begrip op voor de achterliggende logica en structuren die in een volgend stadium des te gemotiveerder uitgebouwd zullen worden. Toetsen op logisch en zuiver taalgebruik in woord en geschrift (zonder lastige d/t, dat kan ook later nog) en praktisch inzicht in verhoudingen, voor en achter de komma, zou als startkwalificatie voor het voortgezet onderwijs voldoende moeten zijn in een samenleving die zegt uit te gaan van levenslang leren. De rest doet de nieuwe generatie zelf wel, mits zij haar leergierigheid behoudt en haar fantasie niet prijsgeeft.

Weigerambtenaar

Standaard

Er gaat een wereld van verkrampt denken schuil achter dit nieuwe woord, het is in feite een zichzelf tegensprekende term, contradictio in terminis: een ambtenaar is uitvoerder van beleid, waarbij weigeren bestuurlijke ongehoorzaamheid wordt. Burgemeesters in oorlogstijd konden weinig anders doen dan principes tijdelijk terzijde stellen of aftreden, maar ambtenaren die principieel worstelen met homohuwelijken zijn officieel erkend weigerambtenaar zonder zich daarvoor, zoals ooit de burgemeesters, te hoeven generen. En dat in een land dat zich er op beroemt de scheiding van kerk en staat als richtsnoer voor bestuur te hanteren! Het ergste is wel, dat de meeste mensen het geen probleem lijken te vinden; men ziet het in het verlengde van de privé keuze en vergeet gemakshalve dat die in het officieel functioneren geen rol mag spelen, zomin als een verzekeraar mag weigeren een Mercedes te verzekeren ook al rijdt hij zelf liever een Frans merk.

Het hele probleem zou te omzeilen zijn als de overheid zich überhaupt niet meer zou bemoeien met de manier waarop mensen willen samenleven, en ooit was het ook zo. Tot ongeveer het jaar 1000 noteerde de kerk alleen doden en pasgeborenen; met wereldse liefde had zij sowieso niets. Gewone mensen woonden samen op basis van beiderzijds goedvinden; alleen waar geld, grond of goederen bij de relatie betrokken waren en dus officiële registratie nodig was, werd de ‘fusie’ bezegeld in huwelijksvoltrekking door de kerk, meestal in de persoon van de hofgeestelijke of kapelaan die voor de adel de ambtenarij vormde (klerk = clericus) omdat verder niemand kon lezen of schrijven.

Toen in de 11e eeuw de welvaart toenam, groeide de behoefte aan zuivering van kerk en geloof – grote kloosterbewegingen en pelgrimages zetten de toon waaruit ook de kruistochten tegen ongelovigen voortkwamen. Op dat toppunt van haar macht eigende de kerk zich ook het huwelijk als sacrament toe: in diezelfde golf werd seks buiten dit sacrale huwelijk tot zonde verklaard en het celibaat uitgebreid tot alle geestelijken – voor die tijd gold dat alleen voor kloosters en de hoogste geestelijkheid.

Dit ritueel nam de wereldlijke overheid na de Franse revolutie als totaalpakket over: wat was makkelijker dan het gezin als geheel te zien, met de man als verantwoordelijk aanspreekpunt voor de overheid? Vrouwen- en homo-emancipatie en individualisering brachten vervolgens nieuwe leefvormen, elk met een apart stempel (homohuwelijk, alleenstaande, LAT-relatie) die binnen het traditionele model ingepast werden. Die verschillen maken dat handige types op zoek gaan naar schijnconstructies die dan weer gecontroleerd moeten worden via tellen van tandenborstels en burenverklikkers.

Zou de overheid niet beter af zijn door iedereen tot individu te verklaren, onafhankelijk van de manier waarop en met wie men leeft en woont? Te duur[1]· zegt de overheid, juist vanwege dat calculerend gedrag; terwijl het in wezen de overheid is die calculeert en via haar intussen traditioneel geworden inzegeningshandeling mensen in de door haar gewenste richting stuurt. Traditie vraagt blijkbaar om officiële inzegening, terwijl de registratie in feite een berekenende handeling van de overheid is. Hoezeer de personen in kwestie er ook een romantisch tintje aan toekennen, de handtekening die zij zetten is niet anders dan die onder elk ander contract. Naarmate meer mensen op huwelijkse voorwaarden trouwen (wat trouwens beter zou zijn dan de standaard condities van de overheid, maar op dat moment wordt juist dáár geen uitleg over gegeven) zou ook de notaris die handtekening als officiële bevestiging kunnen meegeven, desgewenst en na enige oefening zelfs met een zinvolle toespraak. Feesten kan ook zonder trouwboekje en ambtenaar: voor een goede toespraak vindt men altijd wel een vriend of familielid – de meeste verbintenissen zijn toch allang niet meer voor eeuwig en soms kan zelfs een scheiding reden tot uitbundig feestvieren zijn.

Wat registratie van geboortes betreft zou men kunnen volstaan met aangifte door de moeder en DNA-registratie vanuit de navelstreng: het vaderschap was in één op de tien gevallen toch altijd al dubieus en zou zo veel exacter kunnen plaatsvinden.

Overtollige ambtenaren, de weigerachtige even goed als de welwillende, kunnen omgeschoold worden voor de zorg en het onderwijs, waar weigeren geen optie meer zal zijn: daar kunnen ook CDA, CU en SGP zich niet tegen verzetten.


[1] Samenwonen met individuele uitkering mag dan duurder zijn, maar schept tevens extra woonruimte en onderlinge zorgcapaciteit, zeker voor ouderen; dus mogelijk kostenneutraal, zeker als men ook de ambtelijke opsporingskosten meerekent.