Boos om Piet

Standaard

Zouden we ons ook zo opwinden als Sint begeleid werd door met een Limburgs accent sprekende knechten bij zijn intocht? Tijdens carnaval overheerst de zachte g en het vrolijke Alaaf zonder dat Limburgers zich hierdoor beledigd voelen. Juist leuk! Maar als het om een onmiskenbaar Antilliaans/Surinaams accent gaat, zoals Nederlanders dat aan zwarte mensen koppelen, wordt dat mede vanwege Piet’s dienende functie meteen discriminatie genoemd. Uiteraard oud zeer uit de slavernijperiode die niemand van de nu levenden zelf heeft meegemaakt maar die wel levend wordt gehouden – zoals wij graag onze Sint en Piet willen bewaren. Daarom is het misschien goed het perspectief even naar ver vóór de 19e eeuw te verschuiven.

Hoogwaardigheidsbekleders worden op schilderijen uit de Renaissance vaak door zwarte pages begeleid, ongeveer in de uitrusting zoals ook onze pieten dragen: het was een erebaan: ook de moderne pauselijke Zwitserse erewacht loopt er vreemd bij. En ook die hebben waarschijnlijk een accent, net als Limburgers of Antillianen. Ze zouden hun leven geven voor de paus, zei één van hen desgevraagd. Slavenziel of toewijding? Het lijkt in elk geval onwaarschijnlijk dat ze in dergelijke kledij als slaven op de plantages gewerkt zouden kunnen hebben. De erewacht-theorie lijkt dan ook waarschijnlijker. In protestants Nederland was de Sint Nicolaas traditie beperkt tot de huiselijke sfeer, ook toen al rond de schoorsteen, met roe voor het stoute en speelgoed voor het lieve kind zoals op schilderijen van Jan Steen te zien is. Houd die schoorsteen even vast, want daar hoort zwarte Piet bij: geen slaaf, maar raaf.

Dat maakt het verhaal een stuk minder christelijk: in de Scandinavische midwinter-traditie trok Thor op zijn witte hengst omringd door zwarte raven over de daken, brullend door schoorstenen als personificatie van de winterstormen waartegen het volk zich rond de kachel geschaard had om de kou te doorstaan. Na de kerstening van die regio kwam vanwege verwarring over de datum december op de heiligenkalender onze bisschop op zijn paard op het dak terecht, met zijn gebruikelijke zwarte garde als raven die goed gedrag met geschenken beloonden en slecht gedrag met roeden regelden: zie ook de Klaasfeesten op de Wadden waar ook nu nog vrouwen door zwartgeverfde mannen met roeden naar binnen worden gejaagd.

Pikant detail is nog de symboliek van schoorsteen en kousen waar de goede gaven in werden geworpen: de seksuele grappen en grollen moeten in die rokerige, halfdonkere overwinteringsruimte voor de nodige ontspanning gezorgd hebben, het was nog geen hoog ontwikkeld volk zoals tegenwoordig. Dat er ook gedronken werd, moge blijken uit de naar Angelsaksische gebieden overgewaaide traditie van de kerstman – in die oude tijd waarschijnlijk een oude dorpsgek die rond het donkerste punt van de winter de lokale lichtfeesten langsreed op zijn arreslee en overal een borrel kreeg: Yohoo! Later werd juist hij tot symbool van Coca Cola, en werd hem de rol van ‘heilige’ Santa Claus toebedeeld, een dikbuikige goedlachse dorpsgek die graag alleen in the picture staat, zonder pages of raven. De zwarte pieten pages mogen dan luidruchtig hun herkomst aan de slavernijperiode koppelen en (bij wijze van spreken) alsnog de zweepslagen op hun kromgetrokken ruggen voelen, de schoorsteen en kousen c.q. schoenen zijn tot dusver aan de aandacht van kritische ijveraars ontsnapt.

Het tweede punt dat voor verwarring zorgt, is Sint Nicolaas’ herkomst uit Myra, een stad die tegenwoordig in Turkije ligt maar destijds, toen Nicolaas daar rond 300 tot bisschop werd benoemd, onderdeel uitmaakte van het grote Romeinse rijk. Het waren ook daar Scandinaviërs die hem na zijn dood als heilige voordroegen: omdat het christendom toen staatsgodsdienst was geworden had het martelaarschap afgedaan als grond voor heiligverklaring en moesten er (net als nu) drie wonderen worden genoemd. Omdat Nicolaas uit een rijke familie van graanhandelaars en –transporteurs kwam, kende hij de handel- en scheepvaartsector in die regio goed: de meesten waren Noormannen die via de Russische rivieren naar het zuiden waren gekomen en vanuit hun handelspost in Kiev vrijwel de hele zeevaart rond Constantinopel beheersten.

Zij waren bereid onder ede te getuigen dat Nicolaas tijdens zijn zeevarend leven alleen al door zijn woorden een storm tot bedaren had gebracht, en desgevraagd wisten ze ook nog hoe hij in een restaurant had ontdekt dat de chef drie arme jongens uit de buurt had geslacht om als maaltijd aan zijn klanten voor te zetten; uiteraard had Nicolaas ze weer tot leven gewekt. Het derde wonder betrof drie buidels geld die hij anoniem aan een arme man had geschonken om zijn drie dochters te kunnen uithuwelijken – dit kan echt gebeurd zijn want hij was wel vaker vrijgevig, maar of dat een wonder is, moet iedere welgestelde maar voor zichzelf uitmaken. Sindsdien geldt hij als heilige voor kinderen en via de geldbuidels ook voor jonge vrouwen (zie de vrijers van speculaas), terwijl het bedwingen der zee hem tot favoriet van zijn vele vrienden en ex-collega’s maakte die hun schepen in zijn naam lieten zegenen.

Nog steeds doet men dat in het Zuid-Italiaanse Bari, waar latere Noormannen vanuit hun Siciliaanse rijk in het geheim zijn stoffelijke resten naar overbrachten toen Klein Azië in de 11e eeuw Turks en islamitisch werd. Daar gedenkt men de heilige niet op 5 december maar op 8 mei met een plechtige processie als opening van het vaarseizoen. Ook de anonieme gulle gaven zijn een specifiek trekje gebleven, zelfs nog in Turkije als kinderfeest met cadeautjes waarvan iedereen zich afvraagt waar die traditie vandaan komt. In Rusland voelde tsaar Nicolaas zich erfgenaam van deze heilige, mede vanwege de oude Russische hoofdstad Kiev, eigenlijk een Noormannen-steunpunt waar misschien zelfs de naam Russen (‘roeiers’) mee te maken heeft. Zo viert heel Europa Sinterklaas, ieder op zijn eigen manier en onder een andere naam.

In onze streken was het feest in de 19e eeuw enigszins ingedut zodat men besloot het te herzien, met de pas uitgevonden stoomboot erbij. Daar kwamen de ons bekende liederen erbij en kregen de Moorse pages de straffende taak van stoute kinderen en het klimmen door schoorstenen toebedeeld. Het straffen, de roe en de zak zijn intussen als kind-onvriendelijk verdwenen maar het ravenzwart van de Germaanse stormgeesten is gebleven. Wie er slaven in ziet, is minder historisch bezig dan men in eerste instantie denken zou. Er was onmiskenbaar sprake van slavernij in onze overzeese gebiedsdelen, zeker bij de herleefde traditie in de 19e eeuw, maar om dat aan het Sinterklaasfeest te koppelen doet de oorspronkelijke Scandinavische traditie geweld aan – dit trotse Germaanse volk had nooit iets met slavernij, zelfs niet toen ze zich aan de randen van het Romeinse rijk vestigden waar slavernij toen wel degelijk de normaalste zaak van de wereld was, net als trouwens nog lang binnen de Afrikaanse samenleving.

Vrede Israël en Palestijnen

Standaard

√Vrede voor Israël en Palestijnen (als ze willen)

Natuurlijk zou het mooi zijn (eigenlijk een godswonder) als Israël en de Palestijnen het eens zouden worden over een te volgen ‘roadmap’ – stappenplan in gewoon Hollands – naar permanente vrede, maar de Amerikaanse minister Kerry moet wel met iets heel bijzonders komen willen alle partijen, inclusief Hamas, daar zelfs maar over willen nadenken. Het zal een meesterzet moeten zijn in de trant van alles of niets, zeker geen voorstel van kleine stapjes waarbij iedereen vooral op andermans tenen stapt zoals tot dusver gebruikelijk. Bijvoorbeeld: in ruil voor verlaten van alle joodse nederzettingen op Palestijns gebied krijgt Israël heel Jeruzalem terug – niet half/half, maar helemaal: een gedeelde heilige stad leidt in de toekomst ongetwijfeld tot nieuwe conflicten. Uiteindelijk hebben de moslims al Mekka en Medina als alternatief in die regio, terwijl de Joden geen andere heilige plek hebben dan juist dit Jeruzalem. Na de vernietiging van hun tempel door de Romeinen, de verdrijving uit Israël en de verspreiding door de wereld, bleven zij elkaar groeten met de diepste wens ‘tot volgend jaar in Jeruzalem’ – die wens zou na alles wat het volk in 20 eeuwen aan discriminatie heeft meegemaakt, eindelijk wel eens vervuld mogen worden. Een tweede argument geeft de Midden-Oosten kenner Bernard Lewis die in zijn standaardwerk over dat gebied beschrijft hoe kalief Abd al-Malik in het jaar 691 expres de Al-Aksah moskee op de Tempelberg liet bouwen als machtsvertoon om de daar nog wonende christenen en joden te laten zien wie er de geloofslakens uitdeelde. Als Israël nu eens alle nieuwgebouwde huizen, akkers en plantages in bezet gebied (uiteraard onbeschadigd) zou uitruilen voor een geheel eigen heilig Jeruzalem – maar dat zal wel niet. Het is ook maar een idee.

Overtollig testosteron

Standaard

Teveel vrij rondzwevend testosteron binnen een samenleving werkt ontwrichtend: het drijft vooral jonge mannen tot uitdagen van gezag en onderlinge competitie, maar ook tot rellen, aanslagen en complete oorlogen waarin soms hele generaties elkaar afmaken. In een ver verleden toen de mens nog net als andere zoogdieren in groepen leefde, greep de sterkste man na interne strijd de macht die nodig was om het voedselgebied te verdedigen en uit te breiden. Te ambitieuze jongeren werden uit de groep gestoten en vielen ten prooi aan rondsluipende roofdieren – ook in onze samenleving gaan haantjes en stieren er als eerste aan: hun enige functie bij instandhouding van de soort ligt in bevruchting van zoveel mogelijk vrouwen. Vandaar dat parallel aan de introductie van monogamie het oudste beroep ontstond: ondanks alle tinten grijs hebben mannen nog steeds meer en vaker behoefte aan seks dan vrouwen.

Na die oertijd diende overtollig testosteron ter verdediging van bezit en strijd daarover; het kan zich niet inleven in leed van tegenstanders en ziet alleen roem en buit. Slimme leiders vormden dit reservoir tot legers waarmee zij hun machtspolitiek onderbouwden. Ook in de latere stedelijke cultuur zag het hormoon kansen: het bleek goed in strategie, poneren van eigen gewicht en oppoetsen van een al dan niet fictief blazoen – uiterlijk vertoon werkt vaak beter dan wapens. Moderne leiders, popzangers en topvoetballers doen niet anders terwijl op lager niveau het hormoon zich uitleeft in sport, festivals en spontane relletjes althans in dit deel van de wereld waar na twee gruwelijke oorlogen de ideeën van democratisch overleg en bestuur eindelijk breed geaccepteerd lijken te zijn.

In de rest van de wereld is die ontwikkeling echter nog amper in gang gezet: democratie is niet kant en klaar te importeren in regio’s waar het hormoon nog volop woedt. ‘Onze’ godsdienstoorlogen lijken zich daar te herhalen, zij het met sterkere wapens en vaak mede tegen ons gericht om ook ons geloofsdoelstellingen op te leggen die wij juist naar de privé sector hadden verwezen. Revolutie en evolutie lopen daar in elkaar over en we kunnen alleen maar hopen dat ook daar overtollig testosteron zich leert beperken tot zakelijke en sportieve competitie, wat zelfs in zijn uitwassen minder slachtoffers maakt dan oorlog.

Zo wordt het hormoon geleidelijk wereldwijd in evolutionair nuttiger banen geleid: de menselijke soort is al meer dan genoeg verspreid terwijl via betere medicatie kindersterfte afneemt en we langer, beter en hopelijk vreedzamer zullen kunnen leven.

Het is onmiskenbaar dat westerse mannen al meer investeren in kwaliteit van opvoeden dan in hormonale trots op kwantiteit van het kindertal. De natuur volgt haar eigen evolutionaire weg door relaties tussen over-viriele mannen op haar agenda te zetten en vrouwen elkaar als partners te laten hervinden en, net als in de oertijd van de kudde, samen kinderen grootbrengen. Evolutie kan ook teruggang inhouden als dat voor de soort nuttig is. Geschiedenis herhaalt zich echter nooit op dezelfde manier, en de afloop van de half-religieuze, half-hormonale strijd in de moslimwereld hoeft niet de westerse lijn te volgen; wel zeker is dat na elke oorlog door tekort aan jonge mannen, vrouwen de kans krijgen op de voorgrond te treden. Dat gebeurde in naoorlogs Amerika en Europa en wie weet straks ook in het Midden-Oosten en Centraal Afrika; ook daar zal men via emancipatie tot acceptatie van andere leefvormen en seksuele relaties moeten komen om de combinatie van overtollig testosteron en modern wapentuig voor te zijn. Of daar per se een oorlog voor nodig is, zullen de nieuwe grootmachten Azië en Brazilië moeten uitwijzen.

Terminologie

Standaard

Kinderopvang – alleen het woord al! Opvang is voor zwerfkatten en daklozen; de overheid heeft taalkundigen in dienst die voor bejaarden senioren bedachten, voor oorlog als beleidsterrein defensie, en nog vele andere vriendelijker klinkende termen voor achterhaalde zienswijzen, maar met opvang lijkt men daar nog steeds niet aan toe te zijn. Het Engelse care, het Franse crèche, het Duitse Kindergarten (en waarschijnlijk vele andere talen) geven een sympathieker beeld van deze voorziening – vandaar misschien dat in die landen ouders minder moeite hebben hun kleintjes daar aan toe te vertrouwen. Ieder volk krijgt niet alleen de regering die het verdient, maar ook de bijbehorende woordkeus die de diepste volksgevoelens vertolkt: ‘moeders horen thuis bij de kinderen, ook al zouden wij het laatste volk op aarde zijn dat er zo over denkt’.

Voor het jonge kind is (naast koestering, waar inderdaad moeders door de natuur voor toegerust zijn via moedermelk en andere hormonen) socialisatie belangrijk om zijn plek in de omgeving niet alleen toebedeeld te krijgen maar ook zelf te vinden en door contact en confrontatie het eigen ik temidden van soortgenoten af te bakenen. Het leert verschil maken tussen plagen en pesten, treiteren en uitdagen met altijd het volwassen gezag op de achtergrond. Zo verkent het zijn grenzen en oefent het zijn weerbaarheid. Dat ging prima in de tijd van Ot en Sien en ook nog in die van Jip en Janneke maar intussen is het gezin – of wat er van over is, met gemiddeld 1,6 kind – naar de overloop verhuisd in dubbel geïsoleerde doorzon- of appartementencomplexen. Grootouders, familie en buren waar het kind vroeger met problemen terecht kon, zijn uiteengedreven. De overheid leerde ons tijden lang dat we ons niet met elkaar mochten bemoeien en vooral geen eigen rechter spelen; er kwam een bureau Jeugdzorg dat nu geen pleeggezinnen genoeg kan vinden om getraumatiseerde doorzonkinderen bijtijds te redden.

Diezelfde overheid verzweeg dat elke week wel één vrouw en één kind door de eigen partner of ouder wordt omgebracht, nog afgezien van levenslange lijfelijke of geestelijke beschadiging door permanente dreiging van geweld. Nu pas erkent zij haar ongelijk via een meldpunt ‘huiselijk geweld’ dat het belang van maatschappelijke betrokkenheid van de ruimere omgeving onderstreept. Groepsdiscussies over en weerbaarheidstrainingen tegen pesten moeten het basisprobleem van gebrek aan vroegtijdige socialisatie achteraf repareren. Als één toerist van een dak springt door mogelijk paddo-gebruik, wordt de hele verkoop verboden maar de kwestie van vereenzaming van het jonge kind in het steeds kleinere en kwetsbaarder gezin wordt gebagatelliseerd door kinderopvang als luxe probleem van beter gesitueerde ouders te benoemen en hen zelf voor de kosten te laten opdraaien.

De overheid zou kinderopvang dankbaar moeten omarmen en volledig bekostigen, zoals zij ook het onderwijs tot haar basistaak rekent. Speciaal hiertoe opgeleide leerkrachten, speciaal ingerichte ruimtes, eenzelfde inspectie als bij het onderwijs en liefst daarbinnen geïntegreerd, voorkomen dat de branche door goed- of minder goedbedoelende en/of gediplomeerden wordt gekaapt – we hebben een schandaal achter de rug en regelmatig zijn er andere ontsporingen in die sector. Investering in nieuwe generaties, zeker met een teruglopend geboortecijfer zoals in ons land, is geen luxe maar absolute noodzaak als we geen toekomst willen van competitieve groepen pesters en meelopers enerzijds tegenover gefrustreerde gepesten en therapeuten anderzijds: beiderzijds kneusjes die de gemeenschap nu al meer kosten dan in het onderwijs geïntegreerde kinderopvang.

Wie komt met een betere term die dit socialiserende uitgangspunt dekt?

What’s in a name? schreef Shakespeare: what we call a rose, would smell as sweet by any other name – en voor een niet denkende roos mag dat waar zijn, maar bij definities van maatschappelijke verschijnselen spelen andere overwegingen een rol: het brein linkt er gevoelens en gewoontes aan, ook omgekeerd bij het herkennen van de term en het is daar dat de onderhuidse boodschap zich verschuilt, net zoals de reclame dat bij zijn op het oog onschuldige woordkeus doet, maar juist daar zitten wel perfecte termbedenkers. Een etymologisch woordenboek kan voor de leek tot verrassende inzichten leiden.

Zorg is al net zo’n beladen term als opvang: proef het op de tong en de zwaarte wordt meteen voelbaar. Ook het woord onderwijs is niet meer van deze tijd: in andere landen erkent men via de term education dat leerkrachten niet louter kennis overdragen zoals vroeger de meester de leerling in de praktijk onderrichte, maar ook socialiseren en dus opvoeden. In ons land wordt dit element verontwaardigd ontkend en afgewezen, terwijl de praktijk van veelvuldig vroegtijdig overspannen docenten anders uitwijst. Ook hier zou een op de realiteit toegesneden professionele opleiding van leerkrachten en daarbij behorende inspectie veel maatschappelijke kosten en persoonlijk leed kunnen voorkómen. Kennisoverdracht kan niet zonder leergierig publiek en dat laatste is minder vanzelfsprekend dan het huidige onderwijs aanneemt; de opvoeding tot behoud (en liever nog groei) van het leergierige brein waarmee het jonge kind vol verwachting het onderwijs binnenstapt, zou de belangrijkste kwalificatie van elke leerkracht op elk educatieniveau moeten zijn – in de praktijk blijkt die aangeboren leergierigheid echter bij een grote groep leerplichtigen (ook al zo’n beroerde term – een plicht wordt door de jeugd als belemmering en niet als uitdaging gezien) eerder te verdwijnen dan te groeien.

Over het onderwijs valt natuurlijk nog veel meer te zeggen – voorlopig alleen maar even over de term, die misschien minder onschuldig is bij de meningsvorming over de inhoud dan men geneigd is te denken.

Schuld en boete

Standaard

Moeten er altijd verantwoordelijken worden gezocht en gevonden voor rampen en tegenslagen? Hebben we afgeleerd zelf verantwoordelijk te zijn voor ooit gemaakte keuzes? Horen sommige risico’s niet gewoon bij het leven?

Ooit was God de rechter die rampen en plagen stuurde als de mensheid niet precies deed wat hij in zijn eeuwige wijsheid had voorgeschreven; slechts enkelen (toeval of uitverkorenen?) bleven gespaard – noem het groepsverantwoordelijkheid en groepsrechtspraak. Na dit leven moest iedereen zich ook nog eens persoonlijk verantwoorden voor alle daden (gedachten zelfs) op aarde, waarna verdere verrekening plaats vond via eeuwige verdoemenis. Hemelse zaligheid was wederom slechts voor een kleine elite weggelegd. Zelf kon God nooit op het matje geroepen worden – wie zou zijn ooit in een kwade bui voorgeschreven regels hebben durven bekritiseren? Het was slechts een advies, zou hij kunnen aanvoeren: naast groepsverantwoordelijkheid bestaat er ook persoonlijke verantwoordelijkheid.

Sinds God uit zicht en daarmee uit wet- en regelgeving verdween, kwam de sector in handen van rechtsgeleerden die deze persoonlijke verantwoordelijkheid nuanceerden in toerekeningsvatbaarheid, medeverantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en nog zo wat subcategorieën. En ook al die categorieën werden weer op hun toepasbaarheid in stuk voor stuk unieke gevallen getest, gewogen en (soms) te licht bevonden, zodat het publieke rechtsgevoel – inmiddels naast Henk en Ingrid ook Simone en Caspar – deel van de uitspraak en het uiteindelijke vonnis werd. Veel hoger en lager gekwalificeerde academici verdienen er intussen een redelijk belegde boterham aan en elk bedrijf of instelling heeft wel juristen in dienst om zich zo goed mogelijk tegen aanspraken in te dekken, zoals men zich in de herfst laat vaccineren tegen de griep: je weet maar nooit.

De beroepsgroep van seismologen heeft dat, ten onrechte naar nu blijkt, nagelaten en krijgt nu de schuld voor de vele doden en de schade die de aardbeving in een Italiaans dorp heeft aangericht. Hadden ze maar moeten waarschuwen, dat is toch hun vak?

Net zo krijgen hypotheekverstrekkers en –adviseurs de schuld dat de door hen destijds gefinancierde woningen nu slecht verkoopbaar blijken en dat de huiseigenaars met een restschuld zitten – allemaal hun schuld, zij hebben dat toen aangeraden. Banken waren al groepsverantwoordelijk voor de wereldwijde crisis, dus dit kan er nog best bij. Net zoals de persoonlijke verantwoordelijkheid uitgesplitst werd tot deelcategorieën van aansprakelijkheid, zal nu ook die groepsverantwoordelijkheid gedifferentieerd worden zodat de verdediging in beide gevallen ongetwijfeld overmacht zal aanvoeren. Wat moeten seismologen doen die niet als Noach een teken van hogerhand kregen om bijtijds een vluchtroute te adviseren? Veel rampen zijn helaas nog steeds niet in volle omvang voorspelbaar en tot die tijd loopt ieder van ons risico, ondanks vaccinatie, verzekering en/of adviseurs. De restschuld van huiseigenaars zal meestal het (door de volledige aftrekbaarheid van betaalde rente genoten) belastingvoordeel niet overstijgen, dus waar zeuren ze over? Soms zit het mee, vaak zit het tegen – dat is het leven.

Kunnen kinderen later hun ouders aansprakelijk stellen voor een slechte opvoeding of verkeerde studiekeuzes? Het is niet ondenkbaar, dus laten ouders zich bijtijds indekken. De oudere categorie gaat al gebukt onder de aanklacht van slavernij en kolonisatie, door onze voorouders in compleet andere tijden en andere denkwerelden in toenmalige onschuld begane misdaden – ongetwijfeld zullen volgende generaties nog veel meer aanklachten, vaak uit onverwachte hoek, over zich heen krijgen: de beste verzekering lijkt voorlopig om je kind vooral rechten te laten studeren, liefst internationaal, daarmee zal het altijd overal terecht kunnen en valt je in dat opzicht alvast niets te verwijten!

NOBELPRIJS VOOR DE VREDE GAAT NAAR DE EUROPESE UNIE!

Standaard

 

Ik voel me zeer vereerd dat de Nobelprijs voor vrede dit keer naar de Europese Unie is gegaan, ook een beetje voor mij als schrijfster van haar biografie, in 2010 uitgegeven bij Aspekt, en nog steeds verkrijgbaar bij elke boekhandel. Er zal ongetwijfeld veel kritiek op deze prijstoekenning losbarsten (is al bezig) maar ze heeft erg hard gewerkt om er na alle rampen die haar teisterden, er toch iets behoorlijks van te maken dat blijkbaar nog steeds aantrekkelijk genoeg is voor vrijheidszoekers uit de hele wereld.

Europa is het enige werelddeel dat naar een vrouw is genoemd: in de mythologie was zij een Fenicische prinses die door de als stier vermomde Griekse god Zeus naar Kreta werd ontvoerd, vandaar dat zij de hoofdpersoon van dit boek werd. Zoals elke mythe moet ook deze symbolisch worden opgevat: de god die het oosten westwaarts voert.

Het cultureel hoogstaande midden oosten bevruchtte zo met haar wijsheid de toen net door de Feniciërs met hun snelle schepen ontdekte nieuwe wereld. In die oudste taal lijkt Açu ‘land van de rijzende zon’, het oosten te betekenen (Azië) en Ereb dat van de ondergaande zon. Voor het oosten was Europa het wilde, onontgonnen westen, zoals Europeanen later Amerika zouden zien, met hetzelfde idee van cultuuroverdracht.

Via de Grieken die de oosters-minoïsche cultuur perfectioneerden tot democratie, filosofie, en abstract denken, bereikte zij het Romeinse rijk en vandaar het hele continent dat pas veel later Europa zou gaan heten.

Dit boek beschrijft die gang van de nog jonge Europa door de historie die ze zelf schiep, met alle problemen en botsingen die de jeugd eigen is maar ook het leerproces dat haar tot een geheel heeft gemaakt waar, juist door de vanzelfsprekendheid die zij uitstraalt, niet iedereen de waarde van inziet. Er zijn er die met trots beweren zich beslist geen Europeaan te voelen – tot zij een keer te maken krijgen met een beroving in het verre oosten of een politiecel in Zuid-Amerika; dan staat er geen perfecte rechtsorde ter beschikking en helpt alleen een Europese ambassade, liefst van een krachtige lidstaat waar de buitenwereld respect voor heeft.

Een complete Europese Unie, politiek, cultureel, sociaal en economisch, zou dat respect naar alle lidstaten uitstralen, zoals in de Verenigde Staten van Amerika al meer dan 150 jaar gewoonte is. Wat zou een staat als Alabama of Connecticut in zijn eentje betekenen? Het is juist het samengaan op essentiële punten dat een unie gezaghebbend maakt. Ooit zat dat gezag bij koloniale Europese machten maar dat is voorgoed voorbij en de vroegere koloniën beseffen dat soms beter dan Europa zelf. Europa mag dan oud zijn, ze is niet dement en heeft haar dochter Unie goed opgeleid zodat ze klaar staat om het stokje over te nemen. De naam Europa mag blijven bestaan; het verhaal van de oosterse prinses is te mooi om haar zonder meer ter zijde te schuiven – een vrouwelijk continent, als enige in de wereld. Ook dat is bijzonder.

 

Haren

Standaard

Zoeken van grenzen, aftasten van mogelijkheden is ieder kind aangeboren en heeft een nuttige functie in de lijfelijke en geestelijke ontwikkeling: zonder slag of stoot wordt geen kindje groot. Van bescherming en begeleiding schakelen ouders geleidelijk over naar voorbereiding op volwassenheid waarin grenzen verkend, eventueel zelfs verlegd, maar vooral gerespecteerd moeten worden. Eerst de huis- en familieregels, daarna die van de buitenwereld: wachten voor het voetgangerslicht, schoolbezoek, huiswerk, etc.

Binnen een democratische structuur komen regels tot stand met meerderheid van stemmen in een door allen gekozen parlement; die regels worden vervolgens bewaakt en uitgevoerd door een via datzelfde parlement bevoegd verklaard gezag; overtredingen worden door een onafhankelijke rechterlijke macht beoordeeld en eventueel bestraft. Het zou mooi zijn als iedereen zich daaraan hield en zich daar bij neerlegde maar helaas bestaan er tegenkrachten die ouder zijn dan onze democratie: moeder natuur gaf vooral mannelijke exemplaren van elke soort de drang mee om waar mogelijk gezag te tarten, te vernederen en over te nemen; vervolgens om steeds meer bezit te verwerven om die machtspositie te verstevigen en de beste vrouwen aan te trekken.

 

Via dat patroon van uitdagen en competitie moet elke kuddeleider zich steeds opnieuw bewijzen, wat de soort ten goede komt: bij in gebreke blijven neemt een nieuwe leider de macht over die op zijn beurt weer te maken krijgt met jonge strebers. De lastigsten worden uitgestoten uit de kudde en vallen ten prooi aan altijd rondsluipende roofdieren tenzij zij er in slagen jonge wijfjes mee te krijgen en een eigen kudde te stichten. Dat is de succesvolle lijn van de natuur, die geen boodschap heeft aan welk systeem dan ook. In de ontwikkeling van de mensheid zorgde onderlinge stammenstrijd voor de nodige uitdunning van het mannelijke bestand, later werden dat de vele grote oorlogen met hun frontlinies en bombardementen, maar nu zelfs de dienstplicht in de meeste westerse landen is afgeschaft, moet ‘de vijand’ elders worden gezocht om de hormonale balans van de mannelijke jeugd een eerlijke uitweg te gunnen – we voeren ze immers ook niet aan de roofdieren in de dierentuin, daar gaan andere mannelijke dieren naar toe.

 

Niet verwonderlijk dat dan de keuze op ‘het gezag’ als algemeen kwaad valt: uniformen, sirenes, helmen, wapenstok – het zit allemaal in de games die de mannelijke generatie al sinds de vroegste jeugd cadeau krijgt en waar zij haar vaardigheden in kan oefenen tot de dag dat het allemaal in het echt mag gebeuren. Een feest is een mooie gelegenheid maar een gewone wedstrijd is ook goed. Moeder natuur bekijkt het op haar eigen neutrale manier: eenmaal worden die jongens zelf vader en zullen zij zoons begeleiden – zal de evolutie toeslaan en zullen ze geleerd blijken te hebben? Ze zullen in elk geval weten dat de grote hoeveelheid foto’s, filmpjes en vingerafdrukken die ze op de plek des onheils achterlieten, vaders veel geld kunnen kosten; zo haalt vader staat de natuur met haar zelf lerend vermogen rechts in. Nu maar hopen dat het van beide kanten ook in de genen terechtkomt en geen vrouw zo’n destructieve geweldsfanaat tot partner kiest. 

internationaal polderen

Standaard

Meer dan ooit worden politieke kandidaten vastgespijkerd op ooit ingenomen standpunten, uitspraken en beloftes. Interviewers en discussieleiders proberen voortdurend ‘keiharde’ stellingnames te ontlokken of juist onderuit te halen, alsof het een examen is met alleen ‘juist’ en ’fout’ waarop men zakt of slaagt. Flip-flop noemde George W. Bush zijn tegenkandidaat Kelly die hij op elkaar tegensprekende uitspraken kon vastnagelen en hij maakte daarbij een heen en weer-gebaar: de schuinsmarcheerder die met alle winden meedraait. In de ogen van zijn strikt rechtlijnige achterban maakte dat hem tot winnaar.

Niet links, niet rechts, maar recht door zee, was de slogan van Rita Verdonk met haar Trots op Nederland, maar ze opende wel een site waar iedereen wensen kon deponeren die zij vervolgens door het parlement zou jassen; in harmonie met flip-flop zou je dit windvaantjes-gedrag kunnen noemen. Zij sprak vooral zichzelf tegen en ging dus af door de zijdeur. Echte staatslieden laten ‘de huig’ niet hangen naar de stemming op straat of in de kroeg maar onderbouwen hun specifieke punten met overtuigende argumenten die inderdaad per nieuwe situatie kunnen (moeten) worden aangepast. De voortdurend veranderende  wereld eist immers voortschrijdend inzicht en het is triest dat ‘de media’ aan de oude koers van standvastigheid à la Bush en TON lijken vast te houden als waarderingscijfer. Goed van sommige politici dat ze openlijk zeggen die vragen niet te zullen beantwoorden. Nagel zeeverkenners niet vast!

De echte zeiler past zijn koers aan voortdurend wisselende elementen aan en hanteert dus per definitie flipflop-gedrag om zijn doel te bereiken; recht door zee is bij tegenwind helemaal het stomste wat je kunt doen – dan moet je juist laveren en op tijd bijsturen, misschien zelfs wel tijdelijk de koers verleggen om heelhuids het doel te bereiken.

Ons land kent een groots maritiem verleden maar is al enige tijd ingepolderd, waarmee we eveneens internationale politieke roem hebben verworven, het z.g. poldermodel, dat problemen praktisch aanpakt en iedereen, ondanks geloofs- en meningsverschillen droge voeten bezorgt. Laten discussieleiders en interviewers meer dat internationaal gewaardeerde model hanteren, want ook de gemiddelde Nederlander staat met beide benen op de grond en gelooft niet in luchtfietsers, naar de mond-praters en gouden bergen-belovers. Iedereen voelt nu wel dat zelfs de knapste economen niet weten hoe, wanneer (en of überhaupt) de crisis ooit voorbij zal zijn. We geven banken de schuld maar leefden allemaal te royaal: zie China en andere pas opgekomen grootmachten die ons goedkope producten leveren die we gretig kopen zodat onze eigen productie stagneert – zo ging het in het verleden ook met de goedkope katoentjes uit het verre oosten die de westerse textielhandel platlegden. Lodewijk XIV, de Franse koning, verbood in de 17e eeuw al de import van die stoffen, op straffe van veroordeling tot de galeien: een idee voor Wilders?

Wie het weet, mag het zeggen, maar daarvoor is wereldwijd overleg nodig – Europa is al weer een maatje te klein voor deze vraagstukken, het zijn de nieuwe reuzen die de toon zetten en niet de wie-met-wie-discussie in een piepklein uithoekje van het kleine Europa waar de rest van de wereld op zijn best alleen de klompen, molens en tulpen van kent. En Hans Brinkers die zijn vinger in de dijk stak en zo het land van de ondergang redde… Het poldermodel kortom. Alle hens aan dek, als je per se zeevaarttermen wilt gebruiken: een breed zakenkabinet dat alle stromingen (behalve anti-buitenwereld) omvat. En dat vooral internationaal meepraat, op elk niveau: niet om te doceren, maar om te leren van elkaar en waar mogelijk zelf een rol te spelen. Niemand wil immers verzuipen of natte voeten krijgen; koopmanschap ligt ons beter dan preken en die nieuwe machten kunnen onze kennis van indijken en droogleggen goed gebruiken. Bij koopmanschap hoort naast benutten van kansen ook de kunst van verlies nemen en afboeken: zonde om daar lang bij stil te blijven staan. We mogen dan als Nederlanders zeevaarders, dijkenbouwers en polderaars zijn (geweest), het beeld van onwrikbare boekhouder heeft ons nooit gepast.

 

Mirjam Hommes

Cultuurhistorica

Montclar sur Gervanne

Frankrijk

voer voor discussie over ‘de Zorg’

Standaard

Open brief aan politieke partijen

 

Betreft ‘De Zorg’ in het buitenland, i.c. Frankrijk waar ik woon.

 

U zult zeggen: Wat heeft Nederland daarmee te maken? Dat vraag ik me dus ook af. Destijds hebt u in uw ondoorgrondelijke wijsheid beslist dat er een overkoepelende organisatie moest komen, het CVZ, dat ook voor Nederlanders in het buitenland de zorg regelt waarvoor dan wel in Nederland betaald moet worden. Ik schets u wat dat in de praktijk voor mij betekent:

Frankrijk kent voor haar eigen onderdanen een gratis basisverzekering met eigen bijdragen voor huisarts, medicijnen etc. en er is in de meeste gemeentes een EHBO-post waar je standaard 40 euro betaalt. De meeste Fransen sluiten zelf een aanvullende verzekering, vergelijkbaar met de Nederlandse verzekering waar je je eigen verzekeraar en condities kiest en zelf premie voor betaalt. Net als voor elke andere verzekering krijg je daarvoor een polis als verzekeringsbewijs. Voor de gratis basisverzekering bestaat geen polis: elk bezoek, ingreep of medicatie kent zijn eigen vergoedingspercentage waarvoor het onmogelijk is een totaal overzicht te geven, zegt CEPAM, de overheidsorganisatie die hierover gaat.

Toen ik mij uit Nederland uit liet schrijven, kreeg ik geen enkele informatie mee; ik ging er van uit dat ik alle faciliteiten ter plekke zou kunnen regelen – ik bleef immers binnen Europa. Op mijn nieuwe adres stuurde het CVZ mij een formulier 121 dat ik ingevuld naar CPAM bracht waar ik mijn carte vitale, de sleutel tot de basisverzekering, ontving. Net als autochtone Fransen kan ik sindsdien (met bijbetaling) naar huisarts, apotheek en eerste hulp, een prettig gevoel, al weet ik nog steeds niet waarvoor ik verzekerd ben.

 

Wel weet ik intussen dat ik aan het CVZ een standaard nominale premie moet betalen voor dat voorrecht van deelname aan de voor Fransen gratis regeling en daarenboven nog de in Nederland gebruikelijke inkomensafhankelijke bijdragen plus een fiks bedrag voor de AWBZ waar ik nooit van zal profiteren omdat die in Frankrijk onbekend is. Verdragsbijdrage, noemt het CVZ die laatste aderlating verhullend (verdrag met wie?). Hoe verhoudt verplichte deelname aan regelingen waar je niets aan hebt zich tot Europese wetgeving? Veel gepensioneerden zijn al teruggekeerd naar Nederland en verchagrijnen daar geheel onnodig tot extra ‘zorg’-consumenten terwijl ze in zonniger oorden nog lang en gelukkig zouden kunnen voortleven. Destijds vond ik die klagende pensionado’s maar zeurpieten; nu schaam ik me dat ik ze toen niet au sérieux nam. In tegenstelling tot die terugkeergroep wil ik toch hier blijven, hoe onrechtvaardig en overbodig ik die CVZ-structuur ook vind: zij lijkt mij vooral bedoeld om ex-bestuurders een lucratief baantje te bezorgen – Nederland kent meer van die opvanginstituten.

Het liefst zou ik me gewoon hier in Frankrijk voor ziektekosten verzekeren op de Franse manier: voor diezelfde 1200 euro per jaar die CVZ vraagt voor nominale premie, zou dat prima gaan, en ook een bredere Europese zorgverzekering zou ik onmiddellijk omarmen maar u, politici, hebt anders beslist, ongetwijfeld omdat de Nederlandse zorg de duurste van Europa is en alle bronnen moeten worden aangeboord via inkomensafhankelijke bijdragen. Ik voel me alsof ik in een ‘pluk-ze’-regeling ben beland en met mijn modaal inkomen tot de categorie ‘zakkenvullers’ wordt gerekend, terwijl het pensioenen betreft die onder druk staan (ABP) en één lijfrente die volgend jaar afloopt. Ruim 11% van mijn inkomen gaat zo regelrecht naar het blijkbaar ernstig zieke thuisland, terwijl ik hier niet weet waarvoor en waartegen ik verzekerd ben, tenzij ik er nog eens extra een (op mijn leeftijd dure) aanvullende verzekering bijneem. Misschien is dat ook wel de bedoeling van het hele systeem, ik ben er nog steeds niet achter: 2x een nominale premie betalen? Het staat allemaal op Internet zegt men mij door de telefoon maar ik ben er niet handig in (70++) en ook mijn broer die wel Internet-begaafd is, kan me niet geruststellen.

 

Ik ging een keer langs bij het CVZ in Diemen om daar te vragen of men mij kon vertellen waarvoor ik verzekerd ben; daar schrok men van die vraag om een verzekeringsbewijs: we kunnen niet voor alle landen van de wereld een polis leveren, was het antwoord, en ik werd wederom naar CPAM verwezen. Naar mijn idee hoor je een polis te krijgen van degene aan wie je de premie betaalt. Er is ook geen mogelijkheid om dan tenminste de door mij betaalde bijdragen voor huisarts en apotheek vergoed te krijgen: blijkbaar ben ik tegen veel geld gewoon Frans geworden. Moet ik de Franse nationaliteit aannemen om te ontsnappen aan belasting voor de buitenproportioneel hoge zorgconsumptie van Nederlanders? Zou het niet beter zijn het Franse systeem over te nemen? Is het echt minder goed dan het Nederlandse? Toen Nederland nog een zompig moeras was met hier en daar een terp, bloeiden hier cultuur en wetenschap al volop en ik heb dan ook alle vertrouwen in het peil van medische zorg mocht ik onverhoopt in dat circuit terecht komen. Hier geen klachten over te dure zorg, misschien omdat fastfoodketens er haast niet voorkomen en je nergens snacktenten of patatkramen ziet. Men eet verantwoord in bedrijfs- of schoolkantines; jonge vrouwen dragen maatje 36, zodat maagverkleiningen of liposucties onnodig zijn – dat scheelt al een hoop kosten.

 

Politiek, denk ruimer: zorg zit vooral in voorzorg, ook al is dat een ander beleidsterrein. Stop instituten als CVZ die grensoverschrijdende landgenoten dubbel pakken als waren zij landverraders. Hoe ontsnapt men aan de klauwen van de Nederlandse leeuw? Het maakt me nog Europeser dan ik al was en ik zal dan ook in september per brief op de meest Europese partij stemmen. Wanneer komt er eindelijk een Europees paspoort?

 

Ik heb in elk geval een euthanasieverklaring opgesteld voor als ik echt iets ernstigs krijg – dan moet ik wel terug naar Nederland want euthanasie is hier in Frankrijk nog bij wet verboden. Maar zo’n simpele ingreep zal het CVZ me dan toch nog wel gunnen: tegen die tijd zal ik er alles bij elkaar een aardig bedrag voor hebben neergeteld.

 

 

Bezuinigen; elk nadeel heeft zijn voordeel

Standaard

Misschien helpt het om het verschijnsel bezuinigen terug te brengen naar de basis van ons dagelijks bestaan: nu lijkt het alleen een kwestie van een abstracte overheid die zich beraadt waar het een onsje minder kan, maar in de dagelijkse praktijk zijn het gewoon u en ik die om zich heen kijken en denken of de dringend nodige nieuwe auto dit jaar kan of nog een jaar moet wachten. Iedereen vertelt ons dat we rijk zijn en, vergeleken met veel landen op aarde, zijn we dat ook. Wie zich de 2e wereldoorlog en de tijd daarna herinnert, weet nog uit eigen ervaring hoe zuinigheid er in de praktijk uit ziet en toch noemden we het in mijn (70+)herinnering toen geen armoede: we speelden op straat met een tol, knikkers, springtouw en als extreme luxe een autoped – een fiets kreeg je als je naar de middelbare school ging, met blokken op de trappers die er af konden als je de vereiste lengte had. Thuis stond alleen het allernoodzakelijkste, er was nog geen wasmachine, laat staan vaatwasser en als je geluk had, was er een douchecel, voor de rest was er het badhuis eens in de week. Boeken leende je in de openbare bibliotheek, er was radiodistributie met 4 keuzezenders en van TV had nog niemand gehoord.

Wij konden nog genieten van af en toe een ijsje, soms een dagje naar het strand (op de fiets) of een bezoek aan de Cineac, met nieuws en tekenfilms. Daar zagen we ook de glamour van Amerika, filmsterren, auto’s – stel je voor: vrouwen hebben er een auto om boodschappen te doen! We geloofden het niet echt, zoals we ook sprookjes wantrouwden. Die situatie veranderde eigenlijk pas aan het eind van de jaren ’60 van de vorige eeuw, waarna de welvaart West-Europa bereikte. Er kwamen producten op de markt die iedereen wilde/moest hebben: Het loonzakje aan het eind van de week werd vervangen door een bank- of girorekening en het saldo leek zich via rood staan vanzelf aan te vullen: je was een dief van je portemonnee als je niet meedeed en je niet van het nieuwste en beste voorzag. Zo werd de leen- en koopcultuur de motor onder industrie en werkgelegenheid. Het werd normaal dat iedereen op kosten van de samenleving kon studeren, een bij de studie passende werkkring en promotie kreeg, of anders een redelijke uitkering. De overheid werd een toverbron die nooit stopte – we hadden de illusie dat het uiteindelijk allemaal ons geld was dat zo in de gemeenschap circuleerde. Niet alleen privé schulden liepen op, maar in gelijke tred daarmee ook die van de overheid; wij trokken de betaalde rente af van onze aangifte, maar die mogelijkheid heeft de overheid niet: zij moet bij ons aankloppen en beleefd vragen of de welvaart iets minder kan – uiteraard tijdelijk, roept zij snel, want opiniepeilingen zijn onbarmhartig als we niet meer al onze wensen kunnen vervullen.

Overheden en banken zijn minder makkelijk en zeker duurder geworden voor wie wil lenen en we voelen ons slachtoffer van iets wat helemaal buiten onze schuld is ontstaan: het waren de banken, de speculatie en de bonussen. Schuldbewust verleent de overheid schuldhulpverlening aan slachtoffers van de (toch bewust gekozen) welvaartpsychose. Is de man een kind geworden?, zou mijn vader geroepen hebben; die had zelfs de grote crisis van de jaren ‘30 nog meegemaakt, toen mensen in de rij stonden voor de lulligste baantjes en werkgelegenheidsprojecten. Zo werd hij vrachtwagenchauffeur in plaats van onderwijzer, wat hij graag gewild had. Maar slachtoffer: nee, hij had een baan en kon zijn gezin onderhouden. Klachten over buitenlandse werknemers die ‘onze’ banen inpikken steken daar schril bij af: al die rotbaantjes, tegen een loon waar die buitenlanders graag en goed voor willen werken, zijn ons te min – hebben wij geen dure harde studie gedaan en dus recht op het mede door ons opgebouwde uitkeringsstelsel? Laat de staatsschuld maar oplopen, de rente komt later wel: als we maar consumeren, groeit de economie en kunnen wij weer gewoon onze derde jaarlijkse vakantie boeken om zelf te zien hoe arm de derde wereld is en hoe blij ze daar zijn met onze komst en onze schrale fooien…

Beter zou het zijn om deze crisis te gebruiken om na te denken over de leefstijl die we ons tijdens die welvaart hebben eigen gemaakt. We zijn gewend geraakt om typische welvaartsklachten als obesitas en ADHD louter als aangeboren kwalen te beschouwen en als zodanig te laten behandelen. Wat dat betreft zou een teruggang in welvaart zelfs heilzaam zijn: zoals een bekende filosoof ons leert, heeft elk nadeel zijn voordeel.

Misschien hadden wij vroeger wel allemaal ADHD maar wij werden de straat op gestuurd als we te druk waren en bewogen de hele dag. Onze ouders hadden geen auto, ook zij fietsten, kinderen voor- en achterop, en bleven zonder fitness of sportschool in vorm, gewoon in hun eigen kloffie zonder dure merken. Nadenken over eigen gedrag kan ook zonder yoga, transcendente meditatie of hoe al die methodes ook mogen heten: gewoon bij het wandelen, fietsen, breien, naaien, tuinieren of knutselen en zelfs aan het eigen strand kunnen we ons geheel gratis bezinnen op onze leefstijl.

Dat is dan weer de ironie van de geschiedenis: terwijl wij vroeger de Amerikaanse welvaart als een ver weg sprookje zagen, is het nu de verwende welvaartsgeneratie die onze oude tijd als sprookje van sober ‘terug naar de natuur’ en gezellig terug naar ‘grootmoeders tijd’ ziet, ongetwijfeld even vertekend als wij destijds ons sprookje zagen, maar misschien wel sneller binnen handbereik… Moeten we daarom treuren?