ISIS en Poetin maken EU onontkoombaar

Standaard

Schrikbeeld of voorbeeld?

Waarom is een Europese Unie naar het voorbeeld van de Verenigde Staten van Amerika nog steeds voor veel Europeanen een schrikbeeld? Met een dergelijke Unie zouden er geen onderlinge prijsverschillen meer bestaan die automobilisten over de grens naar België lokken en Limburgers naar Duitsland voor hun boodschappen. Ook gelijke zorg- en belastingsystemen, diploma-eisen en beloning kunnen alleen maar voordeel bieden. Zijn we bang verloren te raken? Europa mag ons groot lijken, wie op de globe kijkt ziet hoe klein ons continent in feite is: op een platte kaart lijkt het nog heel wat, maar in de juiste proporties past het 3 keer in Afrika, 4 keer in Azië en 2,5 keer in de VS.

Belangrijker is: waar houdt Europa op? Na Napoleons’ nederlaag bij Waterloo werd in 1815 op een congres in Wenen de Oeral als geografische grens tussen Europa en Azië afgesproken: Turkije vormde toen nog een probleem: dat land bezette de Balkan (waartegen later in de 19e eeuw met hulp van het westen een vrijheidsstrijd gevoerd zou worden). Kaukasus en Oeral leken als grens ‘natuurlijk’ vanwege een duidelijk Europese en Aziatische bevolking, maar intussen zijn die verhoudingen veranderd, soms zelfs op scherp gesteld door Rusland en China in hun strijd tegen Tsjetsenen en Oeigoeren. De Russische neo-tsaar Poetin tast de grenzen van zijn rijk in het westen af via het zwakke Oekraine; ook vorige tsaren hadden al een oogje op de Krim en die heeft hij vast binnengehaald. Wat doet Europa? Te zwak voor gezamenlijke actie steekt het een waarschuwende vinger op die Poetin amper opgemerkt moet hebben.

Ondertussen jagen conflicten in het Midden Oosten en Noord-Afrika meer dan 50 miljoen mensen en kinderen op de vlucht, dat is meer dan de bevolking van een land als Italië, bijna 4x zoveel als de Nederlandse. De meesten willen naar Europa en soms lukt het: Europa is vluchtland zoals ooit Amerika dat voor Europese vluchtelingen was. Het gezamenlijk beleid dat Europese landen hierover hebben afgesproken, wordt al in het eerste land van aankomst aan de laars gelapt. Een echt Verenigd Europa zou hardere en betere afspraken kunnen maken die dan ook gerespecteerd en uitgevoerd worden.

Er zijn ook groepen in het Midden Oosten (soms zelfs in ons eigen midden) voor wie de vlucht niet goed genoeg is en die hun eigen gewelddadige heilstaat willen stichten – Europa kan dat aan, mits ze haar achterban meekrijgt. Maar velen in die achterban zijn juist tegen elke vorm van gemeenschappelijk optreden, geschrokken als ze nog steeds zijn van de vraag die zij in 2005 per referendum voorgelegd kregen: ja of nee tegen een gemeenschappelijk statuut, dat ongelukkig als ‘grondwet’ werd aangeduid. In feite bevatte het stuk niet meer dan een lijst van tot dusver behaalde resultaten met enkele mogelijke doelen in de toekomst. Door er de term grondwet aan te verbinden, schrok iedereen, maar vrijwel niemand had het gelezen; ik las het wel maar kon er niets in vinden dat zo’n negatieve reactie rechtvaardigde. Het verzet groeide na 2005 alleen nog maar en vond aanhangers in die lagen van het volk die sowieso tegen verandering zijn, en dat zijn er nog best veel. Niemand van hen kent zelfs de tekst van de eígen grondwet, maar alleen al de gedachte dat het heiligste van het volkseigene bedreigd zou kunnen worden door een simpel ja tegen een ‘vreemde macht’ (zo wordt Europa gezien), was voldoende om voorgoed de kont tegen de krib te gooien.

Toen er nog geen grondwet bestond, waren het kerk en koning die de wet stelden en handhaafden – het volk had totaal geen inspraak. Toen de nieuwe Amerikaanse staten zich vrijgevochten hadden van de Engelse koning, stelden zij in 1789 in een constitutie (eigenlijk een officiële verklaring) een aantal algemene uitgangspunten en doelstellingen op, met voor elke staat de vrijheid om daaraan eigen punten toe te voegen. Zo mag in de ene staat nog steeds de doodstraf wel, in de andere niet toegepast worden en is ook het homohuwelijk geen algemene zaak. Die Amerikaanse constitutie diende daarna tot voorbeeld voor de Franse constitutie na de Franse revolutie: Franse revolutionairen hadden in de Amerikaanse vrijheidsoorlog meegevochten en namen die ideeën mee naar huis, zo simpel was het. Vervolgens namen ook andere Europese landen punten in hun nationale constituties (intussen grondwetten genoemd) over, met een aantal eigen punten; ook Nederland volgde daarin. En natuurlijk zal het lastig zijn om nu in omgekeerde volgorde alle nationale grondwetten weer te condenseren tot één gezamenlijk Europese, maar een uitgelezen team van Europese topjuristen zou daar toch toe in staat moeten zijn.

Ooit waren ook de Nederlandse provincies zelfstandig, met een eigen bestuur, een eigen munt en zelfs een eigen tijdzone: pas de 80-jarige oorlog tegen een tirannieke landheer dwong tot samengaan. Onze Staten-Generaal, de vergadering van 1e en 2e kamer, stamt uit die periode: Generaal betekent algemeen of in dit geval gezamenlijk, wat sloeg op de gezamenlijke bijeenkomst in Den Haag van die verschillende staten uit de provincies. De term ‘staat’ had toen niet de moderne betekenis, maar sloeg op de verschillende standen die toen nog via hun vertegenwoordigers de dienst uitmaakten in de provincies: adel, geestelijkheid en burgerij. Den Haag was toen voor de verre gewesten wat nu voor ons Brussel is en ook dat moest wennen, maar de lange duur van de tachtigjarige oorlog maakte dat men op den duur niet beter wist of het was altijd zo geweest.

Zo zou het ook met de Europese Unie en Brussel kunnen gaan maar zoals bekend herhaalt de geschiedenis zich nooit op dezelfde wijze. Het relativeert misschien wel enigszins het (schrik)beeld van een Unie – onze Zeven Provinciën gingen op die manier in elk geval hun gouden eeuw tegemoet.

Ook in Zuid-Amerika is naar het voorbeeld van Noord Amerika geprobeerd tot eenheid te komen, onder leiding van een idealist, Simon Bolivar, voor wie nog op veel plaatsen in Midden en Zuid Amerika standbeelden staan. Ook hij wilde de verschillende staten tot een sterk verbond maken maar werd daarbij gedwarsboomd door de vele lokale machten en grootgrondbezitters daar… Waar zou Zuid-Amerika niet toe gestegen kunnen zijn als dat ideaal wel gelukt was?

Amerika leek een eeuw lang de grote broer die de onderling ruziënde rest van de wereld bij elke brand te hulp kwam snellen, maar na twee wereldoorlogen en een aantal weinig succesvolle expedities in het Midden- en Verdere Oosten lijkt de animo daartoe sterk verminderd. Het succesvolle werelddeel trekt zich terug achter verdedigingslinies van afluisteren, vluchtcontroles en strikt immigratiebeleid via streng bewaakte grenzen. Tegelijk is beleid ingezet om selfsupporting te worden qua energiebeleid: ook dergelijke zaken kunnen effectiever met z’n allen worden geregeld dan per staat afzonderlijk. Intussen regelt elk Europees land deze zaken individueel; als de wereld vergaat, roepen we Amerika er wel weer bij, net zo makkelijk. Maar Amerika komt niet meer. Poetin wel, die ziet die nieuwe rol al voor zich: zie zijn spel met het zwakste punt van de Unie: de Oekraïne. Altijd minstens drie zetten vooruit denken: hij schijnt een goed schaker te zijn.

Onze pas overleden ruimtevaarder Wubbo Ockels gaf de mensheid het beeld mee van een ruimteschip waar we met ons allen in zitten, alle ruziezoekers en beveiligers met elkaar: dat beeld laat me sindsdien niet meer los. Gezien het op de wereld aanwezige explosieve materiaal in vijanddenken en wapentuig lijkt er reden genoeg te zijn om als Europa met één stem te spreken binnen het (daartoe dan wel aangepaste) systeem van Verenigde Naties en Veiligheidsraad. In plaats van als afschrikwekkend voorbeeld zouden de Verenigde Staten van Noord Amerika daarbij juist als model kunnen dienen.

Oekraïne in de greep der historie

Standaard

Gedachten bij het lezen van ‘the open society and its enemies’ (Karl Popper, 1945)

Dit boek is (in moderne termen) een echte aanrader, zeker in deze tijd van Europese barensweeën. Het is geen makkelijke kost, misschien dat ik er daarom pas onlangs toe gekomen ben. De vele voetnoten vormen op zichzelf al een gedachtenexercitie waar je de tijd voor moet nemen; alles bij elkaar heeft die mij een half jaar bezig gehouden. De eerste editie verscheen in 1945 maar actueler kan het eigenlijk niet zijn.

Aan de hand van voorbeelden uit de historie toont hij aan dat een open samenleving die nieuwsgierig is naar nieuwe invalshoeken en die nieuwe ideeën verwelkomt beter af is dan in zichzelf gekeerde naties of ‘stamverbanden’ (Popper spreekt van tribalisme) die alles wat anders is als vijandig beschouwen. De angst voor democratie en inspraak van andersdenkenden vertaalt zich dan al gauw in de roep om een sterke leider die zich inzet voor behoud van het bestaande. Die oerdrang, in een ver verleden ongetwijfeld ooit logisch ter bescherming van de stam, brengt de massa tot volgzaamheid. Respect, in essentie verdraagzaamheid, wordt tot ontzag voor gezag en macht; daarna volgt al snel het geloof in eigen gelijk en superioriteit (die immers niet ter discussie wordt gesteld of weersproken). Elke andere stam, volk of natie wordt daarmee automatisch de vijand en als getuigenis en/of ter onderscheid tooit men zich met kleuren en tekens van de stam: een vlag, een teken, een strijdlied of ander ritueel dat de ‘vijand’ buitensluit en liefst wil vernietigen. Ook onze volksliederen, vlag en andere nationale symbolen zijn zo ontstaan.

Popper geeft voorbeelden uit het oude Athene (Plato), het 19e-eeuwse nationalisme (Hegel) en het Marxisme, die alle in die (blijkbaar onvermijdelijke) val terechtkwamen. In het huidige Oekraïne spelen soortgelijke kwesties: die hele regio lijkt nog middenin de oude stammenstrijd te verkeren, waarbij de terminologie van de tweede wereldoorlog aan beide kanten wordt gehanteerd als vijandbeeld: wat de één nationaal noemt, heet bij de ander patriottisch en de term ‘fascistisch’ wordt door de pro-Russen te pas en te onpas in de mond genomen. Het lijkt alsof het land nog middenin de oorlog zit, met de Russen als bevrijders en Oekraïne als met de Duitsers collaborerende natie. Zo spreekt ook de Russische leider Poetin als ‘bevrijder’ zijn rebellen toe en levert hun alle zwaar wapentuig dat ze maar vragen zodat ze zich in de rug gedekt voelen en weten.

Dit beeld is in de koude oorlog in de landen achter het ijzeren gordijn levend gehouden, zoals ik zelf in gesprekken met studenten in de Baltische staten hoorde. Die merkten na het herstel van hun nationale staten dat de voor hen nieuwe westerse studieboeken een heel ander beeld van de geschiedenis gaven en dat de bevrijding van Europa een zaak van meerdere landen en machten was geweest. Terzijde: wie de serie van Geert Mak over Europa heeft gezien, herinnert zich ongetwijfeld de rust waarmee Stalin de vernietiging van Poolse vluchtelingen stond te bekijken toen zij wanhopig de rivier probeerden over te steken tijdens het laatste Duitse offensief; hij stak geen poot uit.

Oude verhalen en beelden blijven lang hangen, aan twee kanten verschillend gekleurd en ingevuld, maar de mensen die nu in Oekraïne aan beide kanten hun gelijk proberen te halen zijn niet de oude, maar de nieuwe generatie die zich in feite zou moeten ontdoen van dit zwaar beladen verleden, zoals ook het westen de oude afkeer van Duitsers heeft afgelegd en nu probeert een nieuwe samenleving te vormen waarin al die oude kwesties zijn uitgepraat en in feite uitgestorven met de generatie die het aanging.

Zo niet in Oost Europa. Nederland mag dan zijn PVV hebben, de agressiviteit van de pro-Russen in Oekraïne is van een totaal ander kaliber en wordt blijkbaar breed gedragen door jonge mensen die beter zouden moeten weten: de echte oudjes uit de generatie van vóór 1990 hebben nooit iets anders dan Russische ideologie over zich heen gekregen dus die kun je niets kwalijk nemen als ze kinderlijk blij met hun vlaggetje zwaaien om ‘Heim ins Reich’ te raken waar ooit alles goed was en de overheid alles voor je regelde. Zelfbestuur moet een afschrikwekkend idee voor hen zijn; met de term ‘democratie’ werd in dat deel van de wereld echt niet inspraak van het volk bedoeld. Alles vóór, maar niet door het volk. De soldatentraining in Rusland is van die aard dat er doden vallen en er is zelfs een groep moeders opgericht die af en toe (want gevaarlijk) tegen die vorm van dienstplicht betoogt. Ook in de strijd tegen opstandelingen in Georgië en Tsjetsjenië getuigt die harde aanpak niet van de wil om tot een compromis te komen zodat het regime zich regelmatig voor bloedige conflicten geplaatst ziet (bv. de gijzelingsacties in een school en een theater of de aanslagen op stations). Je kunt het niet de ‘aard’ van het Russische volk noemen, maar de uitstraling naar de buitenwereld is er toch één van in elkaar slaan van andersdenkenden bij betogingen en een soort nationale trots van ‘wie doet me wat’, terwijl er vroeger toch ooit sprake was van grote schrijvers (die helaas vaak moesten vluchten of in de Goelag terechtkwamen). De 19e-eeuwse tsaristische Europa-gezindheid – in die tijd uiteraard beperkt tot de hogere kringen – lijkt met de idee van een zich constant achtergesteld en onderdrukt voelend volk te zijn versmolten tot die nieuwe ‘wie doet me wat’-cultuur waarvan wereldleider Poetin het symbool is geworden.

Het is duidelijk dat de huidige stapsgewijze ontwikkeling tot een echte Europese Unie al die angstvallig op het eigen volk gerichte bewegingen (in het westen evengoed als in het oosten) trotse patriotten en principiële nationalisten afschrikwekkend voorkomt: hoe bewaar je immers in die mengkroes je eigen karakter? De wedervraag zou moeten zijn: wat is er zo bijzonder aan je eigen karakter en, als dat zo bijzonder is, waarom zou het dan verloren gaan als meer mensen dat delen? De mensheid ontwikkelde zich ooit door ontmoeting met en leren van de ander: zo ontstond het oude Griekse rijk van filosofen, uitvinders en onverschrokken zeevaarders verspreid over verschillende gebiedsdelen: zoals Homerus in zijn Ilias vertelt, was men toen al in staat om onderling contact te houden – kijk op de kaart waar alle strijders vandaan kwamen en toch een eenheid vormden als het er op aankwam. Het gaat minder om de reden van die gezamenlijke actie (de ontvoering van Helena) dan om de snelle communicatielijnen die al deze heersers blijkbaar onderling onderhielden en in tijden van nood konden inzetten. Rome nam dit model later met graagte over – een wereldrijk waarin 200 jaar lang geen oorlog meer voorkwam: iets wat geen macht daarna ooit gepresteerd heeft.

De 19e eeuw was wellicht te optimistisch: de uitvinding van machines, elektriciteit en communicatie gaf het idee dat de wereldvrede binnen handbereik lag. Aan het eind van die eeuw werd de Internationale opgericht en kwam de Coubertin met zijn idee de oude Olympische spelen in ere te herstellen; de filosoof Rousseau richtte zich op pedagogie: alles begon bij het jonge kind dat via leerplicht tot vrede opgevoed zou worden. Helaas was dat onderwijs nationalistisch maar dat zag men toen niet: het werden uiteindelijk, ondanks alle goede bedoelingen, twee zware wereldoorlogen, waar blijkbaar nog steeds generaties mee worstelen, meestal zonder de mogelijke consequenties te overzien. Zo bedient de extreem nationalistische beweging in Griekenland zich van de oude nazi-symboliek van iets dat verdacht veel lijkt op de Hitlergroet en de swastika; volgens de oprichters oude Griekse symbolen en een oude Griekse groet. Merkwaardig is daarbij wel dat ze als clublied blijkbaar de Internationale hebben gekozen – ik kon de woorden niet verstaan, maar de muziek is onmiskenbaar dezelfde. Zou dat expres zijn? En zo ja: waarom? Is de parallel die Popper trekt voor het oude Griekenland en de twee op het oog strijdige bewegingen van nationalisme en communisme ook nu nog steeds actueel?

Hoezo Straatsburg?

Standaard

Toch nog maar even Europa

Velen zien het belang van Europa niet en winden zich op over de extra bestuurslaag in Brussel: een extra parlement terwijl elk land al een parlement heeft, nationale ministers die achter onze rug om ongecontroleerd besluiten nemen, plus een commissie met een voorzitter die blijkbaar gekozen moet worden, maar niet door ons… Wat is de invloed van de kandidaten die wij straks wél mogen kiezen? We horen van landen die hun financiën nog in geen eeuwen op orde zullen hebben, we zien goedkope arbeidskrachten onze economie verstoren: Europa kost alleen maar geld, zie de verhuizing van het parlement elke maand van Brussel naar Straatsburg – waar is dat voor nodig? Het is een godswonder (in letterlijke zin want je moet er blijkbaar echt in geloven) dat er nog mensen zijn die zeggen vóór te zijn en vóór te zullen stemmen.

Dit als opening van een klein historisch betoog. De Europese Unie is namelijk niets nieuws – ze is meer dan duizend jaar ouder dan de Verenigde Staten van Amerika en ging eigenlijk per ongeluk door een ordinaire familieruzie voortijdig failliet. Was er in die tijd een Verenigde Naties of een Tv-programma als de ‘Familiereünie’ geweest, dan zouden we nu als Europeanen hoofdschuddend naar de stammen- en volkerenstrijd in Afrika hebben gekeken. Zo moeten de Verenigde Staten de vorige eeuw (en misschien ook nu nog) naar Europa hebben gekeken met haar desastreuze oorlogen en onderlinge conflicten – ook die totaal verschillende Amerikaanse staten hebben in een vroeg stadium tot samengaan besloten en plukken daar sindsdien de vruchten van.

We hebben geleerd dat in de 5e eeuw het West-Romeinse rijk door volksverhuizingen uiteenviel in wat we Middeleeuwen noemen. De volksverhuizers zelf zouden hier vreemd van opgekeken hebben; zij waren er vast van overtuigd in het Romeinse rijk te zijn beland waar ze een betere toekomst verwachtten voor hun kinderen. Er mocht dan geen keizer meer in Rome zitten, maar in het oostelijk deel van het rijk zat nog duizend jaar lang een keizer met een compleet goed functionerend Romeins bestuurscentrum. In het westen functioneerde die macht misschien niet meer zoals in de oude glorietijd (de beste krachten waren meeverhuisd naar het oostelijk regeringscentrum Constantinopel) maar het stelsel van bisdommen en parochies dat zich sinds de erkenning van het christendom als staatsgodsdienst had ontwikkeld, stond met haar infrastructuur van scholing en zorg ongeschonden overeind en gaf de bevolking op zijn minst de illusie dat zij onverminderd Romeinse burgers waren, ook al waren zij als Germaanse stammen binnengekomen; sinds de 3e eeuw gold een algemeen Romeins burgerrecht voor alle inwoners.

Het is ontegenzeggelijk waar dat het westen achteruit ging, maar dat had te maken met het verplaatsen van handelsroutes richting midden oosten waar de tweede hoofdstad Constantinopel van profiteerde. Ambitieuze Romeinen verlieten Rome en de resterende bevolking leefde steeds vaker van uitkeringen en werd met spelen in het Colosseum van de straat gehouden. Baantjes werden verkocht aan de meestbiedende en met controles werd de hand gelicht. Zonder functioneren van de politie was het in de provincies niet langer veilig zodat de landgoederen van gepensioneerde senatoren tot halve burchten werden omgebouwd, zeker toen in de 5e eeuw de stroom nieuwkomers vanuit het noorden toenam. Ook toen al was er een lange periode van klimaatverandering die elk jaar slechtere oogsten opleverde. Veel van deze voornamelijk Germaanse stammen zochten en vonden een plek in deze Romeinse vestigingen als landarbeiders. Wij kennen dit systeem als horigen en lijfeigenen, maar in de tijd zelf was men blij als men binnen die veilige muren werd toegelaten.

Ook wie zich vrij vestigde, zocht toch de nabijheid van zo’n burcht waardoor kleine dorpjes ontstonden waar men na drie generaties niet beter wist of men had altijd in het Romeinse rijk gewoond, met misschien een vaag besef van mondeling overgeleverde tradities. De kerk werd de enige verbindende factor met haar dorpskapel, pastoor en vooral de administratie van het landgoed, want geen der nieuwkomers kon lezen of schrijven. Zo kwam het dat de van oorsprong Germaans (Teutoons, Duits) sprekende nieuwkomers in de Romeinse provincies op den duur het Latijn overnamen; anders was Frankrijk (de naam verwijst naar hun herkomst rond Frankfurt) een Duits sprekende natie gebleven.

Er vormden zich kleine machtsgebieden onder een graaf, hertog of koning (allemaal Germaanse termen), waar Rome niet zo heel veel meer mee te maken had. Dat was het vernieuwde Romeinse rijk dat nog niet Europa heette maar wat het intussen wel was geworden: een mix van Romeins-christelijke, Germaans-Keltische (=Gallische) culturen, zonder duidelijk regeringscentrum. In Italië zelf, het oude stamland der Romeinen, waren om de beurt de Goten en de Longobarden in feite de baas en op een gegeven moment stopten zij de laatste keizer, een nietszeggend symbool, in een klooster en namen niet eens meer de moeite een nieuwe te benoemen. Er zat immers een keizer in het oosten en daar was nog steeds contact mee. In de praktijk had ook in Italië iedere groep zijn eigen (stad)staat met eigen bestuur, terwijl Rome op de achtergrond als coördinerend symbool van een groot, christelijk rijk functioneerde.

In 500, bekeerde Clovis, de koning van de tot grootste uitgegroeide stam der Franken zichzelf – en daarmee zijn volk – openlijk tot het christendom. Niet dat het in die tijd veel betekende, maar later zouden zijn nakomelingen die positie geleidelijk uitbouwen tot een vanzelfsprekend leiderschap over al die verspreide stammen en volkeren in de westelijke provincie van het oude rijk. De Franken hadden zich al onderscheiden bij de aanval van de Hunnen die in de 5e eeuw onder leiding van Attila uit het verre Mongolië langs de Zwarte zee naar het westen optrokken; Attila werd door een krijgsmacht van alle volkeren (een eerste Europees leger!) verslagen; de restanten van zijn leger bleven in het naar hen genoemde Hongarije hangen waar zij zich tot het christendom bekeerden. In 732 waren het alweer de Franken die de vanuit Spanje oprukkende islam bij Poitiers een halt toeriepen; rond 700 was dat nieuwe geloof via Noord Afrika bij Gibraltar naar Europa overgestoken en had een emiraat in Cordoba gevestigd.

Die expeditie stond onder leiding van Karel Martel, ‘de Strijdhamer’, die eigenlijk alleen maar hofmeier van de koning was, een soort eerste minister. Daarom legde hij de paus de vraag voor of degene die werkelijk de macht had, eigenlijk niet koning zou moeten zijn, waarop de paus bevestigend zou hebben geantwoord; we waren er niet bij maar vanaf toen nam zijn familie (naar deze Karel de Karolingen genoemd) de heerschappij over. Na hem kwam Karel de Grote aan de macht die niet voor niets wel de stichter of zelfs vader van Europa wordt genoemd: hij slaagde er in al die verschillende stammen en volkeren onder een gezamenlijk centraal bestuur te brengen in zijn nieuwe hof te Aken. Uiteindelijk kwamen ze daar oorspronkelijk vandaan – de kern van het volk had zich in het noorden van Frankrijk en de Ardennen gevestigd, vandaar ook dat Parijs en Reims uiteindelijk de Frankische/Franse konings- en kroningscentra zouden worden.

Einhard, de biograaf van Karel de Grote, schrijft over de kroning van Karel tot keizer door de paus tijdens de Kerstmis in 800, dat het Karel totaal verraste en dat hij, op zijn zachtst gezegd, ‘not amused’ was. In de Germaanse traditie werd men door het eigen volk als gelijke onder gelijken gekozen en gekroond, en hij moet in die tijd de paus een slappe figuur gevonden hebben die over geen andere macht beschikte dan zijn eigen diocees als bisschop van Rome: de politiek in Italië werd door lokale grote heren geheel buiten de paus om bepaald. Karel ging boos weg en is er nooit meer terug geweest. Intussen nam hij zijn nieuwe taak wel serieus: hij hield hof in eigen persoon in serieuze rechtszaken, onderhield diplomatieke betrekkingen met de keizer in Constantinopel en de sultan in Bagdad (die hem zelfs een olifant liet sturen die veel bekijks trok). Hij verstevigde de bestuursstructuur in het hele rijk dat toen grofweg het huidige continent tot aan de Scandinavische landen en Rusland omvatte; hij zorgde dat opstanden overal in de kiem werden gesmoord – niet altijd zachtzinnig, maar zo ging het in die tijd – en begunstigde het onderwijs en de schone kunsten om zijn volk beter op te voeden.

Dat tijdperk wordt dan ook wel de Karolingische Renaissance genoemd. Het had Europa kunnen zijn (die term staat zelfs in geschriften uit die tijd), als niet zijn zoon Lodewijk de Vrome een tweede huwelijk had gehad waaruit een nieuwe tak ontsproot die weer ouderwets op de Germaanse manier het vaderlijk erfdeel in eerlijke delen vererfd wilde zien. Zo werd in Straatsburg in 843 Europa officieel en (naar later bleek) definitief in drieën gedeeld: het middenstuk – plus keizerskroon omdat Rome er in viel – ging naar de oudste zoon Lotharius en heette daarom Lotharingia; het westen als Frank(en)rijk naar Karel de Kale en het oosten als Oostenrijk naar Lodewijk de Duitser. Men besefte ook toen al dat deze Straatburgse eden een historische gebeurtenis vormden.

Begrijpelijk dus dat bij de plannen voor een Europese Unie Straatsburg als plaats van het Europese parlement werd afgesproken: bedoeld als ongedaan maken van die fatale scheuring. Toen later alle bijbehorende instellingen in Brussel werden opgericht, was men die oorsprong uit het oog verloren, zodat Straatsburg nu een vreemde afwijking lijkt…. Natuurlijk is het niet praktisch om steeds te verhuizen en daar moet zeker een oplossing voor gevonden worden, maar begrip voor de keuze mag niet ontbreken.

Het ligt voor de hand dat het Middenrijk, Lotharingia vanwege zijn onbestuurbaarheid (van Napels tot aan de Wadden) op den duur door de stille grote winnaar in het oosten, Oostenrijk, werd opgeslokt, inclusief de keizerstitel. Zo kwam Europa aan het grote Oostenrijk-Hongaarse keizershuis, dat eeuwen lang in handen van de familie Habsburg bleef – ‘anderen voeren oorlog, wij trouwen’, zei de kinderrijke keizer trots. Later werd dit rijk ook weer gedeeld, zodat de Nederlanden met het Spaanse gedeelte en Philips II te maken kregen. De naam Lotharingen bleef bewaard, zij het voor een klein gedeelte.

Het westelijk deel zou voortaan als zelfstandig koninkrijk Frankrijk verder gaan onder leiding van een gekozen koning, een mooi uitgangspunt maar in de praktijk liep het met die ‘leiding’ anders. De vele graafschappen en hertogdommen waren intussen zo sterk geworden dat zij een zwakke figuur tot koning kozen (terzijde: vergelijk de keuze voor de onbekende van Rompuy in de huidige EU: ook daar wilde niemand een ‘sterke man’). Eens per jaar kwamen de grote heren langs om pro forma eer te bewijzen aan de koning en er zou uiteindelijk een honderdjarige oorlog voor nodig zijn om tot eenheid te komen – geen aantrekkelijk voorbeeld.

Zo liep het mooie experiment van Karel de Grote’s Europa uit op het Germaanse eerlijk-delen-principe en zitten we nu met brokstukken die heel langzaam, tegen de stroom in, opnieuw tot eenheid moeten zien te komen. Is het ieder voor zich, zoals de Germaanse erfdeling, of is het de gemengde wereld van Romeins-Germaans Europa voor ons allen? Zijn we bang voor een krachtig Europa of beseffen we dat eenheid niet zonder krachtig bestuur kan bestaan? Wordt het bestuurscentrum Brussel, Straatsburg of liever weer ouderwets Aken waar het eerste internationale hoofdkwartier van Karel de Grote was gevestigd, waar hij zich omringde met de beste experts en adviseurs van zijn tijd: terecht dat er een culturele prijs naar hem genoemd is.

Denk aan deze Karel als je gaat stemmen, niet als vader des vaderlands, maar als vader van Europa – geen uit de lucht gevallen idee maar iets dat er eigenlijk al sinds het oude Rome bestond en toen 200 jaar lang zonder oorlog stand hield: een prestatie die in de westerse geschiedenis nooit meer is geëvenaard. Deze klassieke erfenis werd door Europese volkeren op- en uitgebouwd totdat het door een volgende erfenis uiteenviel en sindsdien door onderlinge oorlogen geteisterd werd: de 100-jarige in Frankrijk, de 30-jarige in het Duitse rijk, onze eigen 80-jarige vete met Spanje en last but not least twee wereldoorlogen. Geschiedenis kan je niet overdoen, maar met gezond verstand en goede wil moeten grote fouten uit het verleden toch rechtgezet kunnen worden.

Participatiesamenleving

Standaard

In feite is de term ’participatiesamenleving’ een pleonasme: je leeft samen of niet, en samenleven kan nu eenmaal niet zonder deel te zijn en deel te nemen (participeren). Het is een goed woord om er op een druilerige vakantiemiddag een rij andere woordjes uit te maken, maar verder kun je er niets mee. Waarom zegt de overheid niet gewoon dat we het beginsel van samenleven anders zullen moeten vormgeven dan via uitbesteding naar professionele instellingen omdat de kosten de pan uitvliegen? Met behoud van onze belastingbijdragen in de kosten (professionele instellingen) wil ze de prestaties naar het vrijwilligerscircuit verschuiven. Ter vergelijking: we kopen een wasmachine maar krijgen de aanbeveling om die alleen in ernstige gevallen te gebruiken en de rest weer gewoon op de hand te doen. Wie zou er nog een wasmachine bij die firma kopen?

Nu is de overheid geen firma, het is de door ons gekozen volksvertegenwoordiging die vindt dat maandag weer ouderwets wasdag moet worden. Haar argumenten zijn ronduit hypocriet en waarschijnlijk door dure tekstschrijvers in aangrijpende teksten verwoord: haar beroep op gemeenschapszin suggereert dat wij, burgers, onze hulpbehoevenden verwaarlozen, terwijl zij, de overheid, zelf het samen leven tot dure hobby heeft gemaakt. Pensioenen en uitkeringen pakken immers voordeliger uit voor alleenwonenden, zodat ouderen en uitkeringsgerechtigden bij een relatie liever een eigen stek aanhouden (en wie weet zelfs doorverhuren). Meestal betreft het sociale huurwoningen, dus ook daar lijkt een wereld te winnen te zijn. Met haar oproep tot participatie spreekt de overheid ons aan op onze zorgplicht die we dachten afgekocht te hebben via belastingen en hoge zorgpremies. En natuurlijk zijn we niet te beroerd om onze oude moeder een tijdje in huis te nemen als dat nodig is – maar dan niet via een systeem van én-én: zowel hoge zorgpremie en belasting betalen aan de ene en een gekorte uitkering of pensioen aan de inkomstenkant.

De beste oplossing lijkt om al deze financiële regelingen te individualiseren, d.w.z. op het individu te baseren zodat openlijk samenwonen en (in redelijkheid) voor elkaar zorgen de burger niet extra financieel belast terwijl de betaalbaarheid van professionele zorg en opvang gegarandeerd kan blijven – noem het een win-win-situatie. Helaas zijn we door jarenlange sociaal en/of evangelisch bevlogen partijen allergisch gemaakt voor zelfs maar denken over individualisering: het zijn die partijen die de term individu een afschrikwekkende lading hebben gegeven. Staat zij niet voor ‘ikke ikke ikke en de rest kan stikken’? Toch was het niet altijd zo: in dezelfde tijd waarin het socialisme sprak van de Internationale die ooit zou heersen op aard’, spraken bevlogen en verlichte denkers, schrijvers en artiesten in het Franse ‘fin de siècle’ van de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste geest.

Helaas zou niet lang daarna alles tot kille arbeidersparadijzen en brute machtsfactoren worden teruggebracht waarvan we nu nog de resten en ruïnes aan het opruimen zijn. Of we het willen of niet, de moderne westerse samenleving is bezig te individualiseren – we zien het aan het toegenomen aantal bewust alleen levende singles (die trouwens het hoogst vertegenwoordigd zijn in vrijwilligerswerk, het minst een beroep doen op zorg en het meest bijdragen aan gemeenschappelijke kosten), aan acceptatie en erkenning van homoseksualiteit en transgender. Het zou de overheid sieren in die trend mee te gaan in plaats van terug te keren tot was- en gehaktdagen. Via individualisering van lusten én lasten zou iedereen weer gewoon leuk, lief en waar nodig zorgzaam samen kunnen leven.

Grensland

Standaard

Stel: de overheidsgebouwen in de staat Alaska worden aangevallen en bezet door Russische inwoners en onduidelijke hulptroepen. Zouden dan ook de andere staten van de VS toekijken? Natuurlijk niet – het zijn dan ook verenigde staten die samen optreden. Dat moet een geruststellend idee zijn voor de andere staten van de VS. Niet voor Europa waar de meerderheid voor zelfstandige staten zegt te zijn.

Helaas is het nu niet Alaska maar Oekraïne waar Poetin Europa’s verdedigingslinies uittest. Oekraïne betekent grensland en we zien die grens voor onze ogen verschuiven.

Gemaskerde mannen in ondefinieerbare pakken bezetten overheidsgebouwen en de manipulerende agitator waarschuwt vanaf de overkant om ze geen strobreed in de weg te leggen. Zij zijn gekomen om (blijkbaar gediscrimineerde) etnische Russen in die regio bij te staan en overal hun witblauwrode geurvlag te plaatsen. Langs de kant staan ronde grijze dametjes devoot ‘Russia Russia’ te roepen: je verwacht elk moment dat ze afschroefbaar zullen blijken en er een zelfde, kleinere uitgave onder verscholen zit, en misschien nog wel één daarbinnen.

Bij de machtsovername op de Krim hoorde je tenminste nog wel eens een argument: in Rusland blijken pensioenen hoger en het leven goedkoper te zijn; dat is wat een oudere dame daar toen tegen de pers zei. Zij was de enige, de rest riep ook daar ‘Russia Russia’ wat niet veel meer dan ‘Poetin Poetin’ betekent en wijst op persoonsverheerlijking of gewone dementie. Het zou goed zijn beelden te tonen uit de arme gebieden van Rusland in plaats van uit het miljonairscentrum Moskou. Zo welvarend is het in de Kaukasus of in het Aziatische gedeelte echt niet, dat zou de Baboeska’s best eens tegen kunnen vallen.

Afgewacht moet worden waarheen die ondefinieerbare strijders het grensland verder verleggen. De Baltische staten slaan al alarm – ooit vormden zij een menselijk lint door al hun landen om na het ijzeren tijdperk hun vroegere onafhankelijkheid te herwinnen, maar zo’n lint is makkelijk door te knippen. Dan volgen Roemenië, Polen en Hongarije, zo wordt Europa als versleten tapijt opgerold en bij het grof vuil gezet. Het voorbeeld dat Europa eeuwenlang ooit was voor de wereld, zou zich dood moeten schamen.

De VS zullen niet nogmaals, voor de derde keer, het onderling zo verdeelde Europa te hulp willen schieten. Via de NAVO zijn afspraken gemaakt en Poetin zal als goede schaker die macht omzeilen: zijn prooi is Oost-Europa, en hoe zwakker dat komt te staan, des te korter zal het oprollen duren. Als een tijger sluipt hij rond het grensland, wachtend tot de zwakste elementen worden prijsgegeven – als een uit de kudde losgeraakt kalf.

Volgende maand zijn de Europese verkiezingen en misschien hebben de aarzelende kiezers dit zetje nog nodig: wie denkt dat elk land in zijn eentje dergelijke dreigingen kan keren, zou in plaats van op de wereldkaart op de globe moeten kijken en dan proberen ons land te vinden – zelfs het huidige Europa, inclusief de grenslanden, valt in het niet tegenover alle andere grootmachten (uitgezonderd Australië, daar hebt u gelijk in). In dit jaar van herdenking van de eerste wereldoorlog, zijn nasleep in de depressie en de ijzige greep van de goelag op andersdenkenden, moeten we ons misschien toch eens echt Europeaan gaan voelen, al is het maar om geen grensgeval te worden.

Belastingaangifte

Standaard

Kunnen we het echt niet leuker maken?

De overheid heeft tekstschrijvers in dienst die achterhaalde termen aan de moderne tijd aanpassen; bejaarden werden zo senioren en uitkeringstrekkers uitkeringsgerechtigden; het wordt tijd om ook de woorden belasting en aanslag van hun agressieve toon te ontdoen. Nederlanders behoren immers tot de meest vrijgevige mensen ter wereld als het goede doelen betreft en een vriendelijk verzoek om een (democratisch vastgesteld) deel van het inkomen bij te dragen aan het algemeen belang kan dan ook op aller begrip rekenen. Bijdrage zou alvast een beter woord zijn, en een beleefd verzoek daartoe zou de bereidheid ongetwijfeld vergroten.

Nog mooier zou het zijn als we – net zoals bij goede doelen – als mondige burgers zelf zouden mogen kiezen welk deel van ons inkomen wij aan welk beleidsonderdeel of ministerie willen toekennen. Het idee dat de verdeling over departementen eenzijdig zou kunnen uitvallen, lijkt onterecht gezien de diversiteit van meningen in een goed geïnformeerde samenleving; aan dat laatste zouden de ministeries dan ook zelf moeten bijdragen – geen betere methode om de legendarische ‘kloof’ te dichten. Daartoe zou de overheid een speciale ‘blauwe’ avond op prime time TV kunnen organiseren, zoals nu voor speciale donoracties gebeurt. Elke minister zou daar zijn departement moeten presenteren zodat mensen een beeld krijgen van de activiteiten en er hun keuze door laten beïnvloeden; beter om ministers daarin te trainen dan in omgaan met de media. Niemand hoeft immers bang te zijn voor burgers, die eindelijk eens serieus genomen willen worden in plaats van bij voorbaat als verdachte wanbetaler te boek te staan.

Het gebruikelijke tegenargument dat ondeskundigen zo het beleid zouden bepalen, getuigt van diepe minachting voor het oordelend vermogen van de eigen burgers en – en passant – voor de voorlichting terzake van de kant van de overheid en het door diezelfde overheid verzorgde onderwijs. Daarenboven wordt elk beleid uiteindelijk door gekozen volksvertegenwoordigers gecontroleerd. Als grootste voordeel staat daar tegenover dat de persoonlijke betrokkenheid van burgers bij het beleid zal toenemen, wat toch ook een belangrijke doelstelling van het overheidsbeleid is. Een aanzet tot een dergelijke benadering is bijvoorbeeld al in Engeland te zien waar men na de belastingaangifte bericht krijgt over welke departementen de bijdrage verdeeld is. Ook daar nog steeds geen vrije keuze, maar tenminste een besef van enige burgerlijke betrokkenheid die ook de bereidheid om bij te dragen en te gaan stemmen positief zal beïnvloeden. Wie bewust financieel bijdraagt zal immers ook beter voorbereid en steviger gemotiveerd zijn stem gaan uitbrengen. Goede doelen organisaties noemen dat een win-win-situatie…

Geweld en intimidatie

Standaard

Geweld en intimidatie waren ooit de meest gehanteerde politieke middelen, maar na twee uit de hand gelopen wereldconfrontaties in de vorige eeuw heeft ‘het westen’ (Europa en de VS) daar logischerwijze geen zin meer in. De rest van de wereld test nu deze weerzin uit: het midden oosten door terroristische bliksemacties, het herrezen Russische tsarenrijk via her-annexatie van vroegere machtsgebieden. Terwijl het westen zijn vroegere koloniën – zij het na lange bloedige strijd – los heeft moeten laten, hanteert Poetin de oude Duitse ‘Heim ins Reich’-politiek waarmee Hitler ooit de talrijke Duitse inwoners van Oostenrijk als excuus gebruikte om dit land via ‘Anschluss’ aan het Duitse grondgebied toe te voegen. Was het immers niet ooit een groot Duitstalig rijk geweest? De woorden ‘peace for our time’ van de westerse onderhandelaar Chamberlain bij thuiskomst van die conferentie zijn pijnlijk legendarisch geworden toen Hitler die vredespoging als zwakte interpreteerde en zijn Duitse Rijk verder ging uitbreiden.

De geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde manier, maar ook elke andere manier die zich van geweld en intimidatie bedient en het principe van democratie versmalt tot inspraak van bewust gekozen doelgroepen om de schijn van legitimiteit op te houden, volgt wel degelijk eenzelfde patroon. Eerst wordt de jeugd in vaderlandslievendheid gedrenkt, vervolgens krijgt de mannelijke helft te maken met een lange en extreem gewelddadige dienstplicht – er is in Rusland een groep moeders die zich hiertegen weert maar geen gehoor vindt – en daarna volgt een op vriendjespolitiek gebaseerde carrière. Tegenstanders krijgen te maken met lange showprocessen en vaak eenzame opsluiting wat hen op den duur onschadelijk maakt en naar buiten toe de indruk wekt dat er wel degelijk sprake is van scheiding der machten (wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende).

Rusland mag dan op sommige plaatsen en in sommige opzichten op een democratie lijken, het principe van geweld en intimidatie maakt er onderhuids nog steeds de dienst uit, zoals uit de beelden van confrontatie tussen ongewapende Oekraïense militairen en dreigende Russisch sprekende vanuit het niets gedropte semi-strijdkrachten blijkt. Die laatsten lijken dergelijke vreedzame benaderingen niet te kennen en bij voorbaat te wantrouwen. Eenzelfde wantrouwen heerst volgens de vroegere Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Kissinger in zijn boek over Mao’s China ook aan de oostkant. Dit leidt tot de vraag waar Azië begint en Europa ophoudt: Vladivostok ligt vlak bij Noord Korea. Kan Rusland ooit deel uitmaken van de EU als het grotendeels in Azië ligt? Moet de grens EU-Azië dwars door Oekraïne lopen en in welke vorm dan? Een nieuwe muur, zoals ooit de Chinezen die tegen aanvallen uit het westen oprichtten? De stad Kiev zal een verleidelijke volgende prooi voor Poetins ambities zijn: het is de stad waar Rusland als staat begon en waar in 988 de eerste tsaar Vladimir (naamgenoot!) gekroond werd…

Wat kunnen we intussen als individuele Europeanen doen om te protesteren tegen geweld en intimidatie aan de rafelranden van Europa? Gewoon er niet heen gaan. Reis liever naar de dappere staten die zich aan die greep ontworsteld hebben om hen te laten merken dat we achter hen staan. De Baltische landen, Polen, Roemenië, en (zolang het nog kan) Kiev: het is een prachtige stad. Laat Moskou en St. Petersburg nog maar even zitten – er is ook een Hermitage in Amsterdam.

Roep om boycot is hypocriet

Standaard

Er was een tijd (oma vertelt) dat we niet naar fascistische landen als (Franco) Spanje, (Salazar) Portugal en uiteraard racistisch Zuid Afrika gingen. We persten geen Afrikaan uit (Outspan-sinaasappels) en stonden zelfs eendrachtig achter Israël. ‘We’ sloeg toen nog op ons zelf, de naoorlogse generatie jongeren en niet op de regering. De tijden lijken veranderd: intussen reist iedereen naar vakantiebestemmingen in landen met de meest ondemocratische, milieuvervuilende en mensenrechten schendende regimes om later ongegeneerd de vakantiebeelden op Facebook te zetten.

Nu zijn ‘we’ (goedkoop en makkelijk) collectief boos over onze overheid die zich zo principeloos opstelt waar het de Olympische Spelen in het Russische Sotschi betreft… Eerst was het China: moesten de spelers wel gaan? Ja natuurlijk: waren de Spelen immers niet in de 19e eeuw juist als verbroedering teruggehaald uit de oudheid? Maar moesten ‘wij’ (regering) wel gaan? Na veel gewik en geweeg was het akkoord, mits er een ‘statement’ zou worden gemaakt. Waar dat uit moest bestaan, bleef onduidelijk. Nu dus Rusland, en uiteraard zullen ‘wij’ gaan, net zoals die andere ‘wij’, de zakenlui en vakantiegangers daar zonder problemen heen reizen: zo interessant! En zo goedkoop!

Wat maakt Rusland zo extra kwalijk dat een aantal grootmachten het af laat weten? De houding jegens homoseksualiteit wordt aangevoerd als discriminatie van minderheden en inderdaad zou dat voor Nederland, op dat gebied vooruitlopend in de wereld, een reden kunnen zijn. Toch denk ik dat het voor een aantal andere machthebbers anders ligt, vooral de meest toonaangevende: zij moesten nog niet zo lang geleden president Poetin gelijk geven waar het zijn houding jegens Syrië betrof – inderdaad waren de acties tegen opstandelingen niet zo volks als eerst gedacht, maar door buitenlandse anti-westerse groeperingen geïnfiltreerde en uiteindelijk overgenomen strijdkrachten geleid en dat kan een gevoelige plek hebben opgeleverd. Blijft de homohaat als reden. Kun je een overheid dwingen homoseksualiteit als normaal in wet- en regelgeving op te nemen terwijl het in het volk nog lang niet als ‘gewoon’ geaccepteerd wordt? Het volkse ‘wij’ tegenover het ‘wij’ van de overheid?

Ook in het Franse dorp waar ik woon, kent men de term homoseksualiteit alleen als pedofilie – vandaar de acties tegen erkenning van het homohuwelijk waar automatisch het recht van adoptie aan gekoppeld werd. Eigenlijk niets tegen het huwelijk, maar de kinderen! Was er in Nederland ook niet een zaak van kindermisbruik door homo’s? vraagt men, doelend op Robert M. Daar had ik ook zo gauw geen goed antwoord op en ik vermoed dat de discussie in Rusland ook zo gaat. ‘Wij’, de burgers, zouden daar meer begrip voor moeten hebben en ons richten op betere informatie alvorens met onze betweterige halsstarrigheid een heel volk tegen ons in te nemen. Daarin zouden ‘wij’ als overheid best het voortouw kunnen nemen; het zal misschien niet in één generatie lukken bij mensen die al zoveel over zich heen hebben gekregen sinds de opening naar het westen, maar met deze Spelen is de discussie intussen wel degelijk begonnen. Nu zijn de Russische ‘wij’, de burgers aan zet. Het zijn goede schakers, ze komen er wel uit. Ook bij ons heeft het lang geduurd (nog tot de jaren ’70 was homoseksualiteit strafbaar).

Achterhaald onderscheid

Standaard

Na de zwartepiet-discussie en de grootse manifestatie bij het heengaan van de anti-apartheidsvoorvechter Mandela is in het modern westers denkend deel der mensheid eindelijk doorgedrongen dat onderscheid op basis van huidskleur in wezen irrelevant is en (erger nog!) maatschappelijk tot ongelijke posities en kansen leidt. Ook al zijn uiterlijke verschillen duidelijk waarneembaar, er mag geen verschil in behandeling uit volgen. Zo zou ook na de decennialange discussie over vrouwenemancipatie eindelijk dit zichtbare verschil tussen beide seksen eens irrelevant genoemd moeten worden. In de wet mag dit beginsel dan vastgelegd zijn, in de praktijk wordt het sekseverschil nog overal wel degelijk als kenmerk gehanteerd. Bijvoorbeeld in het paspoort: er mag niet in staan dat de persoon in kwestie wit, zwart of licht gekleurd is, maar wel of het een man of vrouw betreft.

Dezer dagen spreekt de Tweede Kamer zich uit over de eventuele veranderbaarheid van deze aantekening in het paspoort: wie zich ongemakkelijk voelt in zijn of haar man of vrouw-vorm, kan in de praktijk van geslacht veranderen, maar de aantekening in het paspoort geeft dan verwarring bij ambtenaren. Zou het dan ook niet makkelijker zijn de hele aantekening te verwijderen, zoals we ook de huidskleur niet aangeven? Bij elke verlenging van het document (het slaat ook op andere officiële stukken) zou een bij de actualiteit passende foto kunnen worden aangeleverd wat elke verwarring voorkomt.

Het is al gek genoeg dat daar een wetswijziging voor nodig is, terwijl onlangs min of meer tussen neus en lippen door de mogelijkheid werd geopend om pasgeborenen bij de burgerlijke stand voorlopig als ‘neutraal’ te registreren totdat het geslacht duidelijker zichtbaar werd. Blijkbaar is dat in sommige gevallen moeilijk vast te stellen en laat men de definitieve keuze aan de ouders over. Waarom is die keuze überhaupt nodig? Beide geslachten zijn in onze geëmancipeerde samenleving al naar elkaar toe gegroeid getuige de toegenomen vrouwelijke arbeidsparticipatie en mannelijke zorgzaamheid. Niet alleen qua mentaliteit maar ook lichamelijk draagt moeder natuur via de evolutie haar steentje bij – zo is de vrouwelijke stem in toonhoogte gedaald om hem voor mannelijke oren beter verstaanbaar te maken (welke vrouw herinnert zich niet de vergaderingen waar zij absoluut niet gehoord werd) en ontwikkelden mannen interesse voor baby’s waar ze vroeger echt niets mee konden. Nu lopen ze trots met baby-draagzakken door de stad.

Net zoals de scheiding blank en zwart ooit ontstond via koloniale beeldvorming uit zeer primitieve samenlevingen, zo heeft het onderscheid tussen de seksen zijn wortels in een rolverdeling die het destijds logisch maakte dat vrouwen geen onderwijs nodig hadden voor haar functies en dus ook geen stemrecht verdienden. Net als bij de strijd tegen apartheid ontworstelden ook grote voorvechtsters voor vrouwenrechten zich aan dit sjabloon. Ook zij stuurden de evolutie langzaam maar gestaag in de gewenste en steeds meer volgers trekkende richting en nog steeds moet er strijd worden geleverd om zelfs maar die verworvenheden te behouden. Verwijdering van de aantekening van sekse in het paspoort zou daarbij helpen, niet alleen in het geval van transgenders maar zeker ook bij het besef van principiële gelijkheid zelfs als dat nog niet op alle fronten en in alle breinen is doorgedrongen. Ooit stond daar ook de religieuze overtuiging vermeld – ook daar zijn we (terecht) van af, hoewel dat misschien wel relevanter is voor de persoon dan zwart, wit, blank, getint, man, vrouw, homo, lesbo of transgender. Maar dit terzijde.

Lezen, schrijven en rekenen

Standaard

Leiden we de jeugd nog wel op voor de samenleving die haar wacht? Als het jonge kind naar school gaat, heeft het al veel geleerd en is toch leergierig gebleven. Waarom slaagt het onderwijs er dan niet (of onvoldoende) in die leergierigheid te behouden en zelfs te stimuleren? Is het misschien vanwege het onverminderd vasthouden aan lezen, schrijven en rekenen als kern van de kwalificatietoets voor verdere studierichtingen?

Zegt een spellingstoets nog iets wanneer bij het groot Dictee der Nederlandse taal een score van 25 fouten als ‘zeer goed’ geldt en per jaar wijzigingen worden aangebracht? Intussen sms-t en twittert de jeugd inventief en efficiënt via sociale media met de groep waarbinnen ze later zal functioneren; misschien wel beter in Engels dan in Nederlands, maar is dat erg in een samenleving die snel internationaliseert? Schoonschrijven is ook overbodig geworden: het enige belangrijke is de handtekening, maar dat zou vanwege de consequenties beter onder rekenen en economie kunnen vallen.

Juist dat rekenen is verwaarloosd: het rekenmachientje biedt geen inzicht in het hoe en waarom van een handeling. Zonder rekenkundige grondbeginselen zoals de tafels van vermenigvuldiging die vroeger wel als ludiek tussendoortje klassikaal hardop werden opgezegd, zitten we nu met een generatie die niet weet wat met ‘percentage’ of ‘cijfer achter de komma’ bedoeld wordt. Zo ontstond de hypotheek-explosie en bankencrisis: schuld was negatief vermogen, vertelden de gladde praters aan de balie, maar helaas zat (en zit) dat negatieve vermogen eerst en vooral in het rekenkundig ongeschoolde brein.

Technisch onderwijs kreeg het imago van tweederangs en werd een aparte sector, zodat de samenleving nu met een tekort aan goed geschoolde technici zit. Techniek ligt echter net als rekenen en economie (letterlijk huishoudkunde) aan de basis van elk menselijk handelen: waarom werkt zeep, wat doet koken met voedsel en strijken met stoffen? Die aanschouwelijke aanpak wordt al toegepast bij biologie maar zou door koppeling aan meer alledaagse verschijnselen zeker ook meiden doen beseffen dat techniek meer is dan auto’s repareren. Vooral het Finse onderwijs weet via die praktische invalshoek de belangstelling voor techniek te stimuleren zonder dat dit als ‘tweede keus’ gezien wordt. Daar is dan ook geen tekort aan technisch geschoolde jongeren.

Kennis van en inzicht in natuurlijke, logische en sociale processen zou het hoofddoel van onderwijs aan nieuwe generaties moeten zijn, aan de hand van voorbeelden, excursies, experimenten en contacten met uitvinders en ontwerpers. En misschien kan tijdens de avondvierdaagse voor het basisonderwijs het ‘potje met vet’ vervangen worden door de tafels van vermenigvuldiging – als die er goed inzitten, is er al veel gewonnen.